'Altijd op dezelfde plek in de kleedkamer'

In het dagelijks leven ben ik absoluut niet bijgelovig. Ik loop zonder enige schroom onder een ladder door en als ik 's ochtends een zwarte kat de straat zie oversteken, denk ik absoluut niet: oh jee, vandaag een beetje oppassen.

Bij de beoefening van mijn sport ligt het anders. Dat is overigens pas zo sinds een jaar of vier, toen ik op een hoger niveau ging spelen. Daarvoor begon ik altijd geheel onbevangen aan een wedstrijd. Had ik bij wijze van spreken nergens last van. Maar goed, opeens werd het allemaal een stuk serieuzer. Werd presteren veel belangrijker. Als gevolg daarvan nam de druk ook toe. Om daarmee om te kunnen gaan, ben ik gaan zoeken naar dingen die vertrouwd zijn, die me zekerheid verschaffen. Onbewust hoor, dat ging helemaal vanzelf. Maar plotseling moest ik gewoon altijd op dezelfde plek in de kleedkamer zitten. Met altijd dezelfde collega naast me. Sindsdien doe ik met haar ook altijd de warming-up. En niet zo maar ergens, nee, altijd op precies dezelfde plaats in de hal. Bij de middenlijn.

Tijdens een wedstrijd kijk ik ook nooit als wij een strafworp mogen nemen. Ik draai me om, weg van de bal. Dan is de kans namelijk groter dat-ie er ingaat. Natuurlijk, soms levert het ook geen treffer op. Maar zo lang die bal er vaker wel dan niet ingaat, hou ik vast aan dat bijgeloof.

Als de tegenpartij een strafworp mag nemen, kijk ik juist weer wel. Dan is de kans dat-ie naast gaat of gestopt wordt namelijk groter. In negen van de tien gevallen levert het natuurlijk toch gewoon een treffer op, maar die ene keer dat dat niet zo is, heb ik dan toch zoiets van: zie je wel.