Zelfreiniging

Als Nederlandse parlementariërs zichzelf gaan feliciteren weet de burgerij dat er zware tijden op komst zijn. 'Dit moet in een volwassen democratie mogelijk zijn.' Bij welke gelegenheid heeft welke Nederlandse staatsman dat gezegd? Geen deskundige in mijn omgeving had het antwoord paraat; allen waren de tel kwijt. Maar zoveel was wel zeker dat het ging om zo'n zaak waarbij van staatswege miljoenen in een bodemloze put waren gekieperd; zoveel dat het ook buitenstaanders ging opvallen. Om het aanzien van de politiek te herstellen werd de onderste steen boven gehaald. Misschien is of heeft er ook nog een kop gerold, en aan het eind van het drama verklaarde de Nederlandse democratie bij monde van de staatsman wiens naam niemand meer te binnen wil schieten, zich volwassen. Het geld was weg; meegenomen door de mensen wier kop op hun romp was blijven zitten. Restte het taalkundig vraagstuk: is of heeft uw kop gerold? Hoe minder koppen er hebben gerold, hoe meer er zijn gerold. De burgerij is collectief de kop gerold. Vergelijk: zakken rollen.

Nu opnieuw een crisis van formaat; brood voor de columnisten. Ik hoop altijd dat ik de lezers niet met een persoonlijk probleem lastig val maar hier is er een dat ik functioneel te berde kan brengen. In geval van een nationale crisis, kaliber crisis bij politie en justitie, zijn er twee klippen waarop de stukjesschrijver kan verongelukken. De eerste is die van Hadjememaar, de bijnaam van het Amsterdamse 'straattype' Cornelis van Gelder, van de Vereeniging tot berokkenen van leed aan onze medemenschen, later de Rapalje Partij die met zijn programma voor vrij vissen en jagen in het Vondelpark en alles gekookt in de jenever, op 27 april 1921 in de gemeenteraad werd gekozen. De andere klip is die van de voor de hand liggende ongein. Hadjememaar verdedigde de zienswijze dat het allemaal niks was, niks is en nooit iets zal worden en dat dit iedere dag wordt bewezen; de ongein spreekt voor zichzelf. In zo'n crisis als die van deze week weet je nooit hoe je op een van die klippen terecht komt.

'De politiek' heeft nu nieuwe bewoordingen voor de gelukwens aan eigen adres gevonden: 'Hiermee wordt het zelfreinigend vermogen van onze democratie bewezen.' Als de Tweede Kamer een schoolklas was en wij kiezers waren de meester, zouden we dan niet zeggen: jongens en meisjes, schrijf deze zin om te beginnen eens honderd keer op. Maar naief als we zijn is het ons al ontgaan dat dit niet eens nodig is. Ik heb nu, nog niet eens een etmaal na het verschijnen van de rapporten, die uitdrukking al wel tien keer gehoord, en als straks het kamerdebat begint heeft het zelfreinigend vermogen dezelfde betekenis als indertijd de volwassen democratie.

We kijken naar de televisie en denken ons in dat we zin hebben in een joint of een lijntje willen snuiven. Daar worden tientallen pakken kostelijke hasj en cocaine door agenten van de ene auto in de andere gegooid, niet om naar een brandstapel te worden gebracht maar om te dienen tot lokmiddel voor boeven die daarmee nooit zijn gevangen. Mij valt het op dat al die verboden waar zo mooi is verpakt. Daar zijn de modernste machines voor gebruikt. Onwillekeurig ga je je afvragen wie de apparatuur voor die perfecte emballage geleverd heeft. Staat daarover iets in het rapport?

Net als u en ik kijken de boeven naar de televisie, zij het met heel andere gedachten. 'Kijk, dat was die partij en daar heb je Jan die we toen ook nog een paar ruggen hebben gegeven.' Ook zij feliciteren zichzelf nog eens hartelijk, en als weer een kamerlid zijn vermogen tot zelfreiniging ter sprake brengt komen ze niet meer bij van het lachen. Zou het zo gaan? Niet onwaarschijnlijk. Daar zit op de televisie nog iemand te lachen. Hij zit te zwaaien op de achterbank van een wegrijdende auto; de Haarlemse hoofdcommissaris die de indruk maakt dat het hem allemaal niks kan bommen.

Meer kamerleden worden door meer televisietorquemada's allerstrengst ondervraagd. Koppen rollen? Zwartepieten? Mafia? Zware misdaad? Twee miljoen? Gouden handdruk? Wist van niks? Gouden koppel? Zelfreiniging? Zouden de dames en heren van de politiek het allerbelangrijkste begrijpen? Terwijl wij, uw kiezers dat allemaal zien, groeit bij ons langzaam, onverbiddelijk de overtuiging dat we naar een soap-serie uit een gekkenhuis zitten te kijken. Dàt u de kluts kwijt bent is geen nieuws meer, maar hoe is het toch gekomen?

C. Northcote Parkinson schrijft in het voorwoord tot het boek waarin hij zijn beroemde wet formuleert, dat alleen onderwijzers geloven dat de wereld overwegend logisch in elkaar zit en dat het er meestal zorgvuldig en eerlijk toegaat. Zo dom als Parkinsons onderwijzers hoop ik niet te zijn. Maar nog altijd, zelfs nu, draag ik de stille overtuiging mee dat in ieder geval kamerleden, ministers, agenten en commissarissen, officieren van justitie, wat hem je verder, verstand hebben van de dingen waarover ze praten, dat ze niet liegen, zich aan de wet houden en netjes met de staatskas omspringen, kortom fatsoenlijk, ernstig en ijverig aan het werk zijn. Niet een schurk met twee miljoen naar Hawaii laten emigreren. Misschien tegen beter weten in wil ik dat geloof niet verlaten. Wie dat wel doet is rijp voor een nieuwe Rapalje Partij.

Niet de met stomheid geslagen kiezers vragen erom. 'De politiek', in een modderbad zijn zelfreinigend vermogen prijzend, lokt zoiets uit. De gekozenen hoeven zichzelf niet meteen in het publiek te reinigen, als ze om te beginnen in hun omhaal van woorden gezwachtelde arrogantie matigen en niet lachen als er niets te lachen valt (zoals de onderwijzer pleegt te zeggen).

    • S. Montag