Zeeuwsen

KEES SLAGER: Zeven Zeeuwse vrouwen. Onvergetelijke levensverhalen

164 blz., De koperen tuin, Goes 1995, ƒ 34,90

Zien vrouwen de wereld anders dan mannen? Volgens VPRO-journalist Kees Slager herinneren ze zich in ieder geval àndere dingen dan mannen: Persoonlijke, kleine en intieme details komen, zo schrijft Slager in Zeven Zeeuwse Vrouwen, bij hen spontaan bovendrijven. Slager gelooft in geschiedschrijving op basis van 'oral history': de verhalen van 'gewone, anomieme mensen' die hun wereld, vaak niet groter dan hun dorp of stad, beschrijven. Op die wijze beschreef hij eerder het leven van landarbeiders en vissers uit het Zeeland van de laatste honderd jaar, en aan de hand van huiveringwekkende ooggetuigenverslagen reconstrueerde hij de watersnoodramp van 1953, een gebeurtenis die hij als kind, geboren op het Zeeuwse eiland Tholen, zelf had meegemaakt. Tijdens de vele tientallen interviews die hij voor zijn boeken afnam, ontstond het plan om de verhalen van de vrouwen expliciet aan de orde te stellen. En zo beschrijft hij in zijn nieuwste boek de levens van zeven 'gewone' Zeeuwse vrouwen, die proberen in het dagelijks leven niet uit de toon te vallen, maar toch zijn getekend - en soms gekneusd - door wat ze hebben meegemaakt.

Marie, geboren in 1914, vertelt hoe ze als dochter van een doodarme boerenknecht, in de winter 's morgens om zeven uur naar buiten werd gestuurd om langs de waterkant aangespoeld hout te zoeken. Als ze met niets thuis kwam, kreeg ze geen eten. Bracht ze wel hout mee, dan kreeg ze een kwart boterham. Vernederd voelde Marie zich toen ze naar school werd gestuurd op twee linker klompen. De rechter exemplaren sleten sneller, en geld voor nieuwe was er niet. Om het hoongelach van haar klasgenoten te ontlopen, wachtte ze thuis tot de meester op zijn fluitje blies, en rende ze in één ruk door naar haar schoolbank. ”Ja, jongen”, vertelt ze Kees Slager, “armoe maakt je als kind al slim hoor.”

Ze zal evenmin vergeten hoe haar vader door zijn werkgever, een boer, werd ontslagen omdat hij eiste dat zijn zeven maanden zwangere vrouw stopte met het zware boerenwerk. Bij een andere boer was het niet veel beter. Terwijl Marietje en haar broer op het land aan het wieden waren, liep hij een eind voor hen uit, en deed hij zijn behoefte op het gewas. “Wij mochten dan door zijn stront wieden. Zo'n vent was dat.” Veel liefde heeft ze van haar kromgewerkte ouders nooit gehad. “Ik kan het moeder niet kwalijk nemen. Ze kende alleen maar zorgen, en kreeg bijna elk jaar een baby. Dan blijft er weinig tijd over voor liefde.” Toen Marie 72 jaar was, sommeerde de dokter haar op te houden met werken. Nu doet ze alleen haar eigen huishouden. De bonte was gaat nog, net als vroeger, met de hand. “Ik geniet ervan om met m'n handen in het warme sop bezig te zijn.”

Ook in het gezin van Krina, geboren in 1916 als dochter van een dijkwerker uit Westkapelle, was armoe troef. Haar vader stierf toen ze negen jaar was. Moeder begon een winkeltje, maar dat lukte nauwelijks, want alle arme weduwen in Westkapelle dreven een winkeltje. Toen moeder een mooie omslagdoek voor haar had weten te bemachtigen, werd Krina in het dorp door de rijkeren aangesproken. “Zelfs mijn dochter heeft niet zo'n mooie doek.” Als je arm was, moest je dat voelen. Krina: “Je moest je nederig gedragen en altijd dankbaar zijn.” Later trouwde ze met een man die stratenmaker werd.

Toen het toerisme opkwam werd het woonhuis aan vakantiegangers verhuurd en trok het gezin in een verbouwd schuurtje. Later, toen de toeristen bléven komen, bleef het gezin in het eigen huis en was het schuurtje voor de badgasten. Krina is nu weduwe, en woont nog steeds aan de voet van de zeedijk van Westkapelle. Samen met haar vriendinnen wandelt ze vaak naar een plekje op de dijk waar je nog dingen kunt zien van voor de oorlog. “Veel is het niet meer. De molen, de toren en een paar huizen.”

    • Annet van Eenennaam