Ze maken hem de kop niet gek, hoor

Veertien jaar was Erik Hulzebosch toen hij, in 1985, zijn eerste Elfstedentocht reed. Voor velen geldt de 25-jarige 'natuurmens' uit het Overijsselse Grambergen als de favoriet in de mogelijk vijftiende editie. Zenuwachtig wordt hij er niet van. 'Ze maken mij de kop niet gek voor zo'n Elfstedentocht.' De wedstrijd gaat door, dat weet hij zeker. Dat het dan maar 'super, superslecht weer' mag zijn.

Buiten, in het kanaal tegenover het huis, ligt slecht ijs. Binnen zit Erik Hulzebosch. Hij wrijft herhaaldelijk over beide bovenbenen, stijf van het vele schaatsen, geeuwt een enkele keer en bladert door pagina's teletekst. Op zoek naar de prognoses over een datum waarop de Elfstedentocht kan worden gereden. Elke dag, meteen na het opstaan, grijpt hij naar de afstandsbediening. Een hoopgevende mededeling verschijnt op het scherm: het aantal wakken is gedaald van 160 naar 25. De laatste weerberichten stellen hem gerust. In het weekend zal licht vriezen, waarna het een stuk kouder wordt. Een koude wind, kracht vier, blaast begin volgende week uit het oosten. 'Matige vorst, da's genoeg voor een Elfstedentocht. Die gaat wel door.' Hulzebosch wenst weersomstandigheden 'a la '63': striemende kou, jachtsneeuw, keiharde wind. 'Bar weer maakt me niet zoveel uit, als er maar heel veel wind staat. Heel, heel, heel veel wind. Windkracht tien mag 't voor mij zijn, dajje d'r haast niet tegen kan kommen. En dan liefst wind tegen, tweehonderd kilometer lang. Dan kom ik wat beter uut de verf.'

De basis voor dat beulswerk legde hij met skeeleren, de sport waarmee hij de zomer doorkomt. Hij werd zelfs wereldkampioen op deze discipline. 'Daar komt het op pure kracht aan. Als het zo hard waait, kan ik op m'n schaatsen die skeelerslag terughalen. Als er veel wind staat, zit ik altijd in de kopgroepen. Met veel wind, wie d'r ook maar demarreert, dan kan de hele klets achter mekaar gaan zitten en volop demarreren, haal ik ze zo weer terug. Alleen van de wind af niet.' Hulzebosch kijkt uit het raam. Buiten schijnt de zon, takken hangen stil. 'Dit is weer van niks.'

Op de schoorsteenmantel prijkt de Dries van Wijhe-trofee, een onderscheiding die een keer is uitgereikt. Hulzebosch kreeg het beeldje van de noeste schaatser omdat hij de stijl van Van Wijhe van alle marathonschaatsers het dichtst benadert. Hij ziet zijn grote voorbeeld wekelijks, op het ijs in Giethoorn of op het bevroren Veluwemeer. Zelden komt hun passie ter sprake. 'Ik praat weinig over het schaatsen. Maar als ze mij erover vragen, zeg ik wel wat terug.'

De afgelopen week had Hulzebosch over publiciteit niet te klagen. Hij won in korte tijd twee marathonklassiekers en werd daarom automatisch gelanceerd als de grootste kanshebber voor de overwinning in de Elfstedentocht. Het was wel even wennen aan al die belangstelling. 'Het ging nog net, maar het moet niet gekker worden.' Als hij de Elfstedentocht wint, vertrekt hij naar Hawai.

Hulzebosch geeuwt. 'Druk joh, met die televisie en alles. De hele dag gezeur aan de kop, de hele dag maar vragen, en hetzelfde verhaal vertellen.' Ook nu weer. 'Je bent de laatste, dus nou kan ik nog een keer alles op alles zetten.' Hij lacht als een kwajongen. Maar diezelfde avond staan Barend en Van Dorp hem nog te wachten. Als hij daar wordt aangesproken op zijn dialect, zegt hij dat hij niet anders kan. En dat hij geen boer is, maar kraandrijver, in de bouw. Lichamelijk niet zwaar, geestelijk des te meer. 'Je moet verschrikkelijk opletten, elke seconde. Als je niet oppast, heb je er zo een bouwvakker onder.' Hulzebosch geniet vorstverlet; als het vriest wordt er niet gewerkt. Het werk in de bouw is ideaal met de marathons te combineren: 'Dat heb ik goed uutgevist.'

De schaatscarriere van Erik Hulzebosch begon op het treinstationnetje van Gramsbergen, aan de overkant van het Overijssels kanaal. Afgezien van onschuldig gekrabbel op de plaatselijke ijsbaan had hij nooit op de ijzers gestaan, laat staan een wedstrijd gereden. Hij debuteerde in de Elfstedentocht van '85. 'De eerste toertocht in m'n leven. Mijn vader z'n schaatsen heb ik aangehad die dag. Ik had een startkaart van mijn broer; die zat in dienst en kon geen vrij krijgen. Ben ik met de trein hier van Gramsbergen naar Friesland gereden. Veertien jaar, zo'n jochie.' Hulzebosch houdt zijn vlakke hand een meter boven de vloer. 'Ik heb aangebeld bij mensen, daar kon ik blijven slapen. En de volgende dag heb ik tweehonderd kilometer geschaatst.'

Hij belde aan bij wildvreemde mensen? 'Ja, dat was wel goed. Kom maar liggen, zeiden ze. Ik zat daar een paar honderd meter van de start af.'

Telefoon! Een Fries biedt Hulzebosch Elfsteden-overnachting aan. 'Hoe ver is dat van de start? Tien minuten? Da's mooi. Hoeveel plaatsen heb je? Als ik niet weer bel, hebben we al een slaapplaats en dan mag een ander er slapen. Maar mooi dat je even belt, mien jong.'

Terug naar 1985. 'Gots jongens, ik had nog nooit een toertocht gereden. En dan opeens in een groep van 5.000, 6.000 man. Ik wist niet eens dat ik schaatsen kon. Dom is dat eigenlijk. Maar ik denk, dat moet zo'n grote wedstrijd wezen, dus ik ben d'r naartoe gegaan. Na 40, 50 kilometer rijden had ik me toch blaren op de hakken. Zere voeten en zukke muuje knieen.' Hulzebosch voelt de pijn opnieuw, zet zijn gezicht op lijden. 'En dan moet je nog 160 kilometer. Ik heb een paar keer een half uur gerust, ben mooi even gaan zitten en toen rustig deurgereden. Ik kwam alleen aan, 't was pikkedonker. Ik had er een uur of dertien, veertien over gedaan. Nu doe ik het eens zo snel.' Zijn recept, toen en nu: 'Karakter en deurzettingsvermogen, dat is het allerbelangrijkste.'

Deze keer komt het niet op improvisatie aan. Als hij met de andere A- rijders anderhalf uur voor de start van de Elfstedentocht de kooi ingaat, neemt hij plaats op een zelf meegebracht visserstoeltje. Onderweg staan op tien plekken langs de route dertig verzorgers voor hem klaar. Met bananen, vloeibaar voedsel, een droge muts, een schone bril. Vooraf een stevig ontbijt, 'maar ook in de kooi goed eten, totdat je lekker zat bent.' Twee dagen voor de tocht vertrekt hij naar Friesland, hij overnacht op twee minuten van de start. In zijn achterzak stopt hij een braamsteen, voor het geval hij zijn ijzers beschadigt. Zijn tactiek is dezelfde als altijd. 'Proberen de boel een bietje in de gaat'n te houden. Kiek'n wie d'r wegriedt.'

Voor de laatste Elfstedentocht, in 1986, had Hulzebosch geen startbewijs. 'En zwartrijden doe ik niet. Daar houd ik niet van. D'r mogen er zoveel op het ies en meer neit. Anders kunnen er nog wel tienduizend zwart gaan rijden, maar dan gebeuren er ongelukken.'

Vlak voor de waarschijnlijke Elfstedentocht voert Hulzebosch zijn trainingsinspanningen niet op. 'Zie maken mien de kop nie gek hoor, voor zo'n Elfstedentocht. Ik zie 't gewoon als een lange wedstrijd, en als je die wint zou dat machtig mooi wezen. Maar ik heb er geen slapeloze nachten van.' Zijn voornaamste trainingsgebied ligt in en om Giethoorn: 'Mooi rijden daar, mooie natuur. Ik train heel weinig op het ijs, misschien vier uur in de week. Ik ga vanmiddag de benen nog even goed losfietsen, ik probeer m'n masseur hier in de buurt nog even op te zoeken, ik maak mijn schaatsen en mijn tas klaar en dan ben ik klaar voor morgen.'

'Een kameraad' van hem is vaak zijn trainingsmaatje. 'Die jongen is van de week ook vrij.' Hij zou eerst meegaan naar Oostenrijk, maar die reis ging dus niet door. Hoewel afgelopen zondag zijn auto gereed stond om vanaf de door hem gewonnen Amstelmeer-marathon naar de Weissensee te vertrekken, besloot Hulzebosch thuis te blijven, in afwachting van de Elfstedentocht, net als bijvoorbeeld Evert van Benthem. 'Ik had de koffers al in de auto liggen. Ik had zo deur kunnen riejen.' Maar hij reed zijn Opel Calibra die zondag gewoon terug naar Gramsbergen. 'Ik ben gaan twuufelen. Ik dacht, je moet zo ver riejen. Het leek me niet zo'n verstandig idee. Ik dacht, ik goa er nie heen.'

Spijt heeft hij niet. 'Ik heb hier zoveel reclame voor de sponsor gemaakt. Bijna elke dag voor de televisie. En de reclame daar is matig', zegt Hulzenbosch over de marathon op de Weissensee, die hij twee jaar geleden al op zijn naam schreef.

In tegenstelling tot Van Benthem heeft Hulzebosch de Elfstedenroute niet verkend. 'Dat is ook niet te doen', zegt hij na het zien van de tv- beelden van de 160-wakkentocht die van Benthem dinsdag in Friesland met een paar vrienden maakte. 'Laat het ijs eerst nog maar eens wat dikker worden.' Hulzebosch heeft de beelden goed in zich opgenomen, thuis vanaf de bank. 'Ik dacht; 'ns even kiek'n wat er precies allemaal is te doen daar, maar het viel me toch tegen.'

Hulzebosch is niet zo blij met de hem toegedichte favorietenrol. 'Kijk, het is wel zo; gaat het niet door, dan heb ik mooi wel wat reclame gepakt natuurlijk. Ik ben nou een van de favorieten, maar ja, er bin d'r wel meer. Er zijn er echt wel een stuk of tien die net zo favoriet zijn.' Een rijtje namen volgt: 'Peter de Vries, Arnold Stam, Henkie en Evert van Benthem, Yep Kramer, Huitema, Angenent, de gebroeders Ruitenberg. En dan zijn er de outsiders, net als in '85. Ik had nog nooit van Van Benthem gehoord.'

De concurrenten die hij steeds het scherpst in de gaten houdt zijn Peter de Vries, die woensdag op de Weissensee won, en Yep Kramer, de laatste winnaar van het NK marathon op natuurijs. Zelf won Hulzebosch het NK op natuurijs driemaal. Kunstijs kan hem gestolen worden. 'Daar vind ik niks aan. Het ijs is te mooi en de rondjes zijn te klein. Natuurijs is het mooiste wat er is.'

Nooit stapte Hulzebosch uit een wedstrijd. 'Ik heb al verschrikkelijk veel wedstrijden gereden, maar ik ben nog nooit gestopt.' Wel stond hij soms ziek op het ijs. 'Ik heb ook wel eens overgegeven onder het schaatsen. Of spugen onder het skeeleren, zoals afgelopen zomer. En toen won ik 'm ook nog. In een klassieker van 100 kilometer. Twintig kilometer voor de finish zat ik in een kopgroep van vijf man. En speejen, overgeven. Ik lag op tien seconden achterstand. Ik ben er weer naartoe gereden en won de sprint. Ik was al niet best, de hele dag al niet. Dan ga je afzien, dan krijg je het in de maag en zo, dan ga je wat drinken en dat komt dan net verkeerd aan. In ieder geval speejen als een reiger.'

Behalve lichamelijk ongesteldheid onderweg zijn er hindernissen in de vorm van bruggetjes waar de rijders onderdoor moeten. Soms waarschuwen ze elkaar. 'Ik wil wel eens wat roepen, maar als het op de finale aankomt, denk ik van: laat ze maar tegen die brug aan rijden. Dat denken die anderen ook.'

Plassen is een ander ongerief tijdens marathons. Daar had Hulzebosch tijdens het Nederlands kampioenschap op natuurijs, in 1993, het volgende op gevonden. Hij reed met Jan Eise Kromkamp op kop, met een grote voorsprong op het peloton. 'Ik zeg, wacht je even, ik moet even pissen. We hadden toch een flinke voorsprong.' Kromkamp wachtte. Hulzebosch zou hetzelfde hebben gedaan, zegt hij. Als zijn concurrent niet zou hebben gewacht, had hij het gewoon in zijn broek gedaan. 'Ik heb zo wel een keer of drie in m'n broek gepist. Lekker warm joh.'

Tegen de kou op het ijs wapent Hulzebosch zich met een smeersel van vaseline en hete balsem. 'Daar smeer ik me helemaal mee in. M'n benen, m'n rug, m'n nek, m'n schouders, m'n armen. Zodat ik helemaal lekker warm ben.' Vervolgens trekt Hulzebosch zijn schaatspak aan, met weinig ondergoed. 'Ik doe zo weinig kleren aan dat ik gewoon hard mot riejen om het warm te hebben.'

    • Ward op den Brouw