Voorspellingen over het jodendom

BERNARD WASSERSTEIN: Het einde van een diaspora. Joden in Europa sinds 1945

288 blz., Ambo 1996, vert. Tinke Davids (Vanishing Diaspora, Hamish Hamilton 1996), ƒ 49,50

Demografische, sociale, religieuze en culturele trends in de afgelopen halve eeuw wijzen onverbiddelijk in de richting van een verdwijning van de diaspora, althans in Europa. Zo luidt, kort samengevat, de belangrijkste stelling van Bernard Wasserstein in zijn geschiedenis van de joden in Europa sinds 1945.

Het einde van een diaspora is een boek met twee gezichten. Enerzijds gaat het om een beknopt, betrekkelijk koel en afstandelijk, concreet en zakelijk overzicht; het eerste in zijn soort. De Brit Wasserstein, sinds 1982 hoogleraar geschiedenis aan Brandeis University in Massachusetts, beschikt over een grote kennis van zijn onderwerp, maar weet van doseren en schrijft helder. Hij trekt lijnen, karakteriseert en illustreert met goedgekozen voorbeelden. Vrijwel alle min of meer bekende gebeurtenissen en incidenten uit de naoorlogse geschiedenis van de joden in Europa hebben in een logische context hun plaats gekregen. Tal van gegevens, bijvoorbeeld van demografische aard, worden verschaft, soms tot overzichtelijke tabellen samengevoegd. Anderzijds verkondigt Wasserstein de sterk geladen stelling, dat het afloopt met de joden in Europa. Met een zekere regelmaat duikt dat kernpunt in scherp geformuleerde zinsneden op. Deze these geeft het boek een speciale spanning, die het ruimschoots doet uitstijgen boven het nuttige overzicht dat het ook is. Zij vormt leidraad en bindmiddel van een verhaal, dat ogenschijnlijk onontkoombaar tot de conclusie leidt, dat het met de joden in Europa nooit meer wat kan worden. In een opmerkelijk menging van koele afstandelijkheid en emotionele geladenheid verhult Wasserstein niet dat hij zijn eigen conclusie een droevige acht, maar niet ziet hoe het anders zou kunnen lopen.

Hij heeft dan ook sterke argumenten. Om te beginnen de demografische ontwikkeling: voor de Tweede Wereldoorlog waren er nog 10 miljoen joden in Europa, aan het einde ervan waren er 4 miljoen over en nu nog slechts ongeveer 2 miljoen. Lage geboortencijfers en omvangrijke emigratie maken de daling tot een onstuitbaar proces. Als het in het huidige tempo doorgaat zullen er al omstreeks 2000 nog maar 1 miljoen joden in Europa zijn, het laagste aantal sinds de late middeleeuwen.

Vooral Oost-Europa bepaalt dit beeld. Juist het gebied, dat ook voor West-Europa eeuwen lang als het ware een onuitputtelijke bron van joodse immigratie en joods leven was, loopt leeg. Ook na 1945 werd het de joden daar zo onaangenaam gemaakt dat de wil tot emigratie ging overheersen. De mogelijkheden daartoe waren sterk afhankelijk van de soms grillige communistische regimes. Maar vooral ten tijde van de ontmanteling van het Sovjet-imperium nam deze emigratie de vorm aan van 'een complete exodus'. Tegelijk, schrijft Wasserstein, kwijnt het joodse geloof als spirituele aanwezigheid in het dagelijks leven van de meeste joden in Europa weg. Steeds meer laten joden het geloof en de godsdienstige gebruiken los. Dat past overigens volkomen in het krachtige proces van secularisatie dat in heel Europa doorzet.

Emancipatie

Vooral in de liberale staten in West-Europa ging secularisatie al geruime tijd samen met emancipatie van de joden, eerst vooral in juridisch opzicht, later ook anderszins. Dat droeg bij tot verschijnselen als acculturatie, assimilatie, integratie en zelfs volledig loslaten van elke band met het jodendom. Blijvend antisemitisme in vele variaties en gradaties vormde daarbij een belangrijk contrapunt. De schok die de Holocaust teweeg bracht droeg echter sterk bij aan het terugdringen van het antisemitisme in deze landen, waar het op den duur zelfs min of meer besmet werd verklaard.

Opmerkelijk in dit verband is vooral de veranderende houding van de christelijke kerken. Dat gold in het bijzonder voor de rooms-katholieke Kerk, “de belangrijkste antisemitische instantie van Europa in 1945, een instelling waar een anti-joodse doctrine diep was ingebed in de historische fundamenten (...). Des te indrukwekkender is dan ook het proces waarin de kerk van Rome zich in de naoorlogse periode heeft gezuiverd van de smet van exclusiviteit, spirituele arrogantie en onmenselijkheid”.

Hoe positief ook in andere opzichten, deze welwillendheid van de omgeving heeft een desintegrerend effect op de joodse gemeenschappen. Enigszins paradoxaal hangt dat in het multiculturele Europa samen met het feit dat joden niet meer de noodzaak voelen hun jood-zijn onzichtbaar te maken. Juist het afnemend antisemitisme is een belangrijke stimulans voor het opgaan in de omgeving. In een formulering van Wasserstein: “Als geheel is het, ondanks alles, niet de geschiedenis van joden als slachtoffers van de haat van hun buren, eerder als slachtoffers van hun vriendelijkheid.”

Vervolgens wijst Wasserstein op het verdwijnen van “een authentieke joodse cultuur in Europa”. Kennis van het Jiddisch, het Hebreeuws en het Ladino verdwijnen als sneeuw voor de zon. Joden hebben als kunstenaars weliswaar een grote rol gespeeld in de naoorlogse cultuur in bepaalde delen van Europa, maar zij hebben geen joodse cultuur geschapen. Zij schreven, schilderden en musiceerden voor een algemeen publiek, zelfs als zij zich op joodse thema's concentreerden. Er is geen sprake meer van de “inwendige samenhang van de culturele wereld die tot het begin van de twintigste eeuw in Oost-Europa heeft bestaan”.

Ook de betrokkenheid op Israel en de herinnering aan de Holocaust, die de meeste joden gemeenschappelijk hebben, kan Wasserstein niet positief waarderen, laat staan dat die beide de grondslag zouden kunnen vormen voor een gezonde joodse gemeenschap. Integendeel. Steun voor Israel werd een soort 'burgerlijke religie', een ideologie die van de diaspora eiste dat zij “haar eigen bestaan verloochende, en in laatste instantie dat ze zichzelf vernietigde”. Ook de centrale plaats die de vervolgingen zijn gaan innemen in het joodse zelfgevoel, “dreigt zich te ontwikkelen tot een bijna necrofiele obsessie. De Europese joden hebben op dit punt, net als in hun relatie met Israel, een mogelijk fatale ziekte opgelopen”.

Mogelijkheden voor een ommekeer ziet Wasserstein nauwelijks. Hij brengt er twee serieus ter sprake. Als eerste noemt hij de orthodoxen met hun grote gezinnen en hun sterke wil de eigen levenswijze te handhaven. Maar zij zijn zeker in Europa veel te gering in aantal om de toekomst van de joden in dat werelddeel te redden. “Hier en daar zullen ongetwijfeld kleine groepen ultra-orthodoxe joden, die zich vastklampen aan de voorschriften van het geloof, blijven bestaan - een schilderachtige restgroep, vergelijkbaar met de Amish in Pennsylvania.” Meer zit er volgens Wasserstein niet in.

Daarnaast bespreekt hij de mogelijkheden voor de joodse cultuur juist bij de seculiere joden aan de hand van een voorstel van Richard Marienstras in diens Être un peuple en diaspora (1975). Deze meent dat de seculiere joden de belangstelling voor Hebreeuwse en Jiddische cultuur, voor joodse geschiedenis en voor een cultuurpolitiek van de diaspora moeten doen herleven. Juist nu de Europese samenlevingen een meer pluralistisch karakter krijgen en meer openstaan voor culturele diversiteit acht Wasserstein zoiets in beginsel niet uitgesloten. Maar alweer ziet hij, buiten een kleine intellectuele kring, geen bewijzen dat de joden in Europa zelfs maar beschikken over de “minimale interne hulpmiddelen om effectief te reageren op de uitdaging en de mogelijkheden van een waarachtig pluralisme”.

Twijfel

Dat is allemaal niet gering en het is niet goed mogelijk te ontkennen dat het zou kunnen gaan als Wasserstein meent. In de loop van de geschiedenis zijn vaker gemeenschappen (volken, culturen, religies) verdwenen. Nationaal-socialistische vervolgingen, soms als anti-zionisme vermomd antisemitisch optreden van communistische regimes en breed gedragen antisemitische volkssentimenten hebben in het recente verleden inderdaad ieder op hun eigen wijze en in hun eigen mate aan de verdwijning van de joden uit Europa gewerkt.

Toch, en daar zit mijns inziens het wezenlijk zwakke van dit boek, blijft zonder meer doortrekken van historische ontwikkelingen naar de toekomst een uitermate hachelijke aangelegenheid. De twijfel die op dit punt toeslaat wordt nog versterkt als men zich realiseert dat Wasserstein in feite één heel specifieke verschijningsvorm van het jodendom tot norm verheft. Uit tal van passages van zijn boek klinkt op dat het 'echte' jodendom van Europa toch het Oost-Europese is (was), de traditionele orthodoxe joodse gemeenschappen met een sterk Jiddisch gekleurde cultuur. Daar lag naar zijn mening toch de eigenlijke kracht, de oerbron van het Europese jodendom.

Bij die, overwegend impliciete maar hier en daar ook expliet verwoorde overtuiging, zet ik grote vraagtekens. Waarom staat een eventuele gedaanteverwisseling, een pluralisering van het jodendom eigenlijk gelijk met het einde ervan? Er is toch geen sprake van dat 'het' jodendom door de eeuwen heen hetzelfde is gebleven of zelfs maar ooit uniform is geweest. In het verleden is bij herhaling de ondergang van het jodendom aangekondigd als zich veranderingen voltrokken. Dat dit steeds niet gebeurde geeft geen zekerheid dat het ook nu niet zal geschieden, maar de stelligheid van de bewering wordt er nog veel minder door gerechtvaardigd.

Dat klemt des te meer nu Europa, zeker Oost-Europa, sinds de val van de Berlijnse muur in een hoogst onoverzichtelijke situatie verkeert. Voor Wasserstein telt in dat verband eigenlijk alleen de massale emigratie. Maar waarom is het eigenlijk onmogelijk dat uit de huidige chaos op langere termijn ook nog iets anders te voorschijn komt? Indien bijvoorbeeld op den duur een ontwikkeling in West-Europese richting zou doorzetten (ik geef toe dat dat evenzeer speculatie is), dan zou het beeld toch heel anders worden.

Als men goed naar de cijfers van Wasserstein voor West-Europa kijkt, valt namelijk op dat daar van fundamentele vermindering van de joodse bevolking (hoe moeilijk precies te meten tegenwoordig ook) eigenlijk geen sprake is. Van de grote landen is alleen in Engeland sinds 1946 sprake van een stevige daling (van 370.000 via 400.000 in 1967 naar 295.000). Maar in Frankrijk is een sterke stijging vast te stellen door de immigratie van joden uit Noord-Afrika (225.000 joden in 1946, 535.000 in 1967 en daarna stabilisatie: 530.000 in 1994).

Ook in Duitsland is, althans recent, sprake van stijging: 30.000 in 1967, 55.000 in 1994 (de cijfers voor 1946 zijn voor vergelijking niet goed bruikbaar omdat er een onbekend aantal zogenoemde displaced persons bijgeteld zijn). President Weizman van Israel mag dan onlangs als rechtgeaard zionist zijn verbazing en zelfs afkeuring hebben uitgesproken, dat er uitgerekend in Duitsland nog joden (willen) wonen, deze cijfers lijken hard. Een deel van de joden uit Oost-Europa vestigt zich, zoals Wasserstein overigens zelf vermeldt, niet in Israel of Amerika, maar elders in Europa, met Duitsland als eerste keus. In 1994 deed dat bijvoorbeeld de voorzitter van de hoofdsynagoge van Moskou.

Voor de andere niet Oosteuropese landen is het beeld wisselend, maar per saldo is sprake van een getalsmatige stabilisering. Het is duidelijk dat daarbij orthodoxen slechts heel kleine minderheden vormen en dat van de Jiddische cultuur nog maar weinig invloed over is. Maar ik kan toch niet zo makkelijk als Wasserstein komen tot het nietswaardig verklaren van wat wel het 'joods gehalte' wordt genoemd van de hedendaagse, zeer gedifferentieerde joodse bevolkingsgroepen.

Weerbaarheid

Zeker, Wasserstein kan ook in het verleden medestanders vinden. In Nederland bijvoorbeeld zag de grote meerderheid van de joden in de emancipatie aan het einde van de 18de eeuw vooral een bedreiging. En Jaap Meijer meende na de oorlog dat het “joods gezien hier afgelopen (was) voordat de moffen kwamen”. Ook Presser legde die overtuiging vast in de titel van zijn magnum opus Ondergang.

Maar men kan ook op goede gronden tot andere gevolgtrekkingen komen. Zo besluit Chaya Brasz in de onlangs verschenen Geschiedenis van de Joden in Nederland haar hoofdstuk over de periode na de oorlog heel wat positiever: “De naoorlogse generatie joden gaf de joodse gemeenschap sinds de jaren zeventig een toegenomen zelfvertrouwen en weerbaarheid die eveneens duiden op de verdere voltooiing van het emancipatieproces.” De joden worden, zo constateert zij, thans gezien als een culturele minderheid. “Aangepast aan de tijd en opnieuw ingedeeld volgens een door de omgeving uitgedachte eigentijdse term geven ze als groep in het veelkleurige patroon van de Nederlandse samenleving nog altijd volop uitdrukking aan hun bestaan.” Voor de meeste andere niet Oosteuropese landen lijken mij soortgelijke oordelen verdedigbaar.

Het einde van een diaspora is, kortom, een zeer informatief en uitermate fascinerend boek. Het bevat een heldere stelling waarvoor bepaald sterke argumenten worden aangevoerd en waardoor het iets van een ondergangsprofetie krijgt. Maar tegelijk heeft het mij per saldo toch niet weten te overtuigen, omdat het a-historisch zowel één verschijningsvorm van het jodendom een soort alleenrecht toekent en de toekomst voorspelt op grond van extrapolatie van historische ontwikkelingen. Ik beschouw de toekomst als onvoorspelbaar en veel opener dan Wasserstein kennelijk doet. Dat verhindert mij dus ook om een alternatieve voorspelling te doen, maar ik ben wel veel optimistischer over de kansen van de joden in Europa.

    • J.C.H. Blom