Toon Hermans is altijd met verwondering geslagen als er weer een deuntje komt; De opperste lach is de glimlach

Toon Hermans (79) begint volgende week aan een come-back; de stormloop op de plaatskaarten woedt volop. Gesprek met een intuitief kunstenaar die de genegenheid van het publiek niet kan missen en opnieuw begeesterd raakte. Toon Hermans, in de ban van het 'maak-duiveltje'. “Ik ben voor die mensen die me zitten aan te kijken met hun sores.”

V ijf muzikanten doden de tijd op de bühne van het theater de Lampegiet in Veenendaal. Ze wachten op Toon Hermans. Die komt vanochtend wat later omdat de slagwerker, die de afgelopen nacht de geboorte van zijn tweede kind beleefde, toch vertraagd op de repetitie zal verschijnen. In de grote, rode concertzaal zit één toeschouwer: Toon's oudste zoon Maurice die hem vanaf de tweede rij aanmoedigt. “Je moet gewoon positief inkomen”, roept hij naar de gitarist die naar eigen zeggen “onzeker” is over zijn spel.

Even later glipt Toon Hermans geruisloos vanuit de coulissen het toneel op. Hij draagt een grijze pet - die hij tijdens de repetitie zal vergeten af te zetten - en dezelfde rode sjaal waarmee hij ook op het jeugdige affiche pronkt. “Het is een zoon en hij heet Sebastiaan”, roept hij. Dan pakt hij de microfoon en begint meteen te zingen.

Ik was een schuchtere naïeverd

van de liefde wist ik niets.

Toen riep jij opeens: dag lieverd

en je sprong achter op mijn fiets.

Als bij toverslag komt het theater tot leven. Hermans en zijn orkest swingen en geen detail ontsnapt de meester. Soms klinkt er een “godverdimme” maar dan volgt er weer snel een grap. Vooral het tempo van de muziek, het ritme moet voortdurend worden bijgesteld. “Niet te gehaast, maar lekker. Ik wil roomijs horen, roomijs”, zegt hij.

En na twee uur uit het hoofd te hebben gerepeteerd, gaat Hermans uitbundig tekeer in een nummer dat de opening zal vormen van de show na de pauze. “We gaan weer even lekker naar de wolken zweven” en “dit is de avond van mijn leven”, zingt hij. En hoewel het maandagochtend is, klinkt het beslist overtuigend. Welgemutst schuifelt het gezelschap van een man of tien vervolgens naar de artiestenfoyer voor de lunch. Hermans sloopt geroutineerd het velletje op zijn champignonsoep, eet een loempia en twee broodjes. A l een paar weken begeeft Antoine Gérard Théodore Hermans zich bijna dagelijks naar dit moderne theater in Veenendaal om te oefenen voor de nieuwe show. Volgende week donderdag is de première in Haarlem. Het is kort dag want de entertainer besloot pas eind vorig jaar, enige weken voor zijn 79ste verjaardag, dat het er toch nog een keer van komen moet.

Zijn laatste tournee kende een weinig gelukkige afloop. Hij staakte in februari 1993 de voorstelling: Ik heb je lief, omdat hij overmand raakte door emoties over zijn in 1990 gestorven vrouw Rietje. Maar het afgelopen najaar kreeg hij naar eigen zeggen plotseling de geest. “Dat is precies de juiste uitdrukking, ja. Ik raakte begeesterd. De geest kroop in me en daar ga je dan. Dan zeg je opeens: ik ga spelen. Net zoals je zegt: ik hang me op.”

Als je hem vraagt naar het waarom van deze nieuwe artistieke eruptie, komt er geen echt helder antwoord. Waarom eet een mens, waarom ademt hij? Sommige vragen zijn niet te beantwoorden. “Ik sta er ook versteld van dat ik dit doe. Ik kan het ook niet echt verklaren. Als je mij zegt: maak eens een psychoanalyse, dan ben ik de domste in dat hele ontwikkelingsproces daarvan. Het is ongebruikelijk dat ik 't doe op mijn leeftijd, maar het is voor mij gewoon een manier van leven. Het leven doet met mensen iets en met mij doet het dit.

“Het is niet van: meneer Hermans moet zonodig nog theater spelen. Met zo'n eigenschap moet je niet leuren. Dat is een vorm van egocentrie die je voor jezelf moet houden. Het mag niet zo zijn dat ik alleen maar ga optreden om te laten zien hoe sterk ik nog ben. Daar heb ik geen behoefte aan. Het gaat om het sociale contact met het publiek.

“Het heeft te maken met de mensen die straks in de zaal zitten. Ik hou van mensen en mensen houden ook van mij. Zo simpel is het. Er is genegenheid ontstaan in zoveel eeuwen en daar ben ik mee gevleid. Dat vind ik aangenaam, behaaglijk. Een mens wordt liever over zijn bol geaaid dan in zijn gezicht gespuugd. Ik wil graag in dat weldadige milieu verkeren.”

Het lijkt een aannemelijke verklaring. De artiest die verslaafd is aan het publiek, aan het spektakel. Maar juist als Hermans zich heeft uitgeput in 't duiden van dit verschijnsel geeft hij een uitleg die haaks lijkt te staan op hetgeen hij net heeft betoogd. Dan zegt hij “in het geheel geen theaterdier” te zijn en geeft hij een soort l'art pour l'art-verklaring. Dan spreekt hij over “gekke prikkels” die hij niet kan verklaren en over het “maakduiveltjeof -engeltje” dat in hem zit.

“Ik werk altijd, dag en nacht. Dat is wat ik ben. Ik ben iemand die iets maakt en zich daarin verlustigt, op een ongeremde manier. En die ook niet zoveel belangstelling heeft waar dat nu terechtkomt. Van de week zaten we te repeteren en het ging zó lekker. En de dag daarvoor was het om met alle soorten stront te gooien, er was niets mee te beginnen. Ik was echt een beetje onthutst, ontmoedigd. Maar dan opeens gaat het goed. En ik zei tegen die mannen: weet je wat we moesten doen, we moesten hier maanden kunnen blijven en alsmaar maken, maken en maken. Maar het moest eigenlijk nooit vertoond worden.”

Tegenover medewerkers en vrienden heeft Hermans nòg een, een meer simpele verklaring om uit te leggen waarom hij als bijna tachtigjarige opnieuw avond-aan-avond “gekkigheid” wil maken, wil “ouwehoeren” en zingen. Dan geneert hij zich niet voor zijn kunstzinnige ambities en heet 't dat een kunstenaar als Toon Hermans “niet met stille trom vertrekt”. En in zijn show voegt hij er zingend een andere reden aan toe. Het zijn de deels bij hem inwonende kinderen die hem 't podium opduwen. “Die riepen: ga in godsnaam spelen.” B uiten vriest het pijpestelen maar Hermans ranselt onvermoeibaar de pedalen van zijn hometrainer. De fiets staat verdekt opgesteld in het portiek van zijn woning, achter het uit Mercedessen bestaande wagenpark. Een lange jas en een te kleine wollen muts moeten hem beschermen tegen de ijskoude wind. Het wordt al langzaam donker.

Twee keer per dag klimt Hermans op het apparaat. Hij legt er in straf tempo dagelijks zo'n 25 kilometer mee af. Zo fietst hij zich al veertig jaar fit. Cabaret is immers topsport. Geheel ontspannen neemt hij vervolgens plaats op de gele bank in zijn woonkamer. Boven zijn hoofd hangt een enorm, zelfgemaakt schilderij met een fictief maar onmiskenbaar Zuid-Limburgs landschap. “Of ik moe ben? Nee, ik ben gelukkig nooit moe.”

Het is rustig in zijn stevige woning in Bosch en Duin, af en toe klinken alleen flarden van spelende kleinkinderen. Op de tafel voor ons liggen tientallen cassettebandjes. “Ik heb genoeg materiaal. Ik kan wel tien of twintig shows spelen. Er liggen hier 150 liedjes op tafel die ik nog nooit publiekelijk heb gezongen”, zegt hij achteloos. Een deel van dat repertoire moet over een paar maanden verschijnen op een plaat die hij deze periode aan het opnemen is in samenwerking met de Limburgse popmuzikant Gé Reinders.

Meer dan de helft van zijn nieuwe show zal Hermans zingend uitvoeren. Juist op dit gebied heeft hij volgens zijn medewerkers immers de afgelopen jaren de grootste ontwikkeling doorgemaakt. Hermans beaamt het, maar vindt het moeilijk erover te praten. Hij is bang te zwetsen. “Als ik moet zeggen wat ik voel dan komen er altijd zo'n pathetische woorden aan te pas. Dan is het net of ik zo'n sentimentele vogel ben, maar dat ben ik helemaal niet.”

Maar als het dan toch moet, wil hij wel iets kwijt over zijn liedjes. “Na de dood van mijn vrouw is er iets veranderd. De klankkleur is anders geworden. Ik heb me wel eens verbeeld alleen met begeleiding van een pianist te gaan werken en dan hele mooie muziekjes maken. Ik heb de laatste tijd, dat mag ik rustig zeggen, hele fantastische muziekjes gemaakt.

“Het voltrekt zich in mij. Ik ben altijd met verwondering geslagen als er weer zo'n deuntje komt. Vanmiddag hebben we iets gezongen op de repetitie, dat was zóó mooi ineens. Iedereen begon aan dat deuntje te kluiven. Een hele, mooie lieve melodie, die opeens kwam aangezwiebeld. En dan weet je bij god niet waar het vandaan komt.

“Een van mijn beste vriendjes, Tony Bennett, zingt de grootste songs van de wereld. Daarmee vergeleken zijn mijn liedjes het gepiep van een mus. Als ik met hem praat, denk ik, ik ben geen Cole Porter, maar ik heb feeling voor de jazz en die kan ik in Holland niet zo goed kwijt. Want cabaret-muziek is totaal anders, dat is alleen maar de illustratie van een spitsvondige tekst en die belangrijke teksten heb ik niet. Ik zing toch altijd:

Het regent, het regent

het spettert het spat

het watert, het klatert

de wereld wordt nat. Hij zit even stil en zingt dan verder met dirigerende armen:

Het giet in de straten

het valt op het plein

het valt op de maas

en de roer en de rijn De laatste regel herhaalt Hermans een paar keer. Hij spoelt de oes en aas langdurig in de mond. Dit is jazz. “Daar wil ik het liefste de zaal mee vullen, maar dat haal je niet in Nederland. Dat pakken de mensen niet van mij. Daar bereik ik het volk niet mee en ik ben voor het volk. Ik ben voor die mensen die me zitten aan te kijken met hun sores. Die nu al om drie uur 's nachts in de rij zitten, met slaapzakken, om hoe dan ook een kaartje te bemachtigen. Ik las al in een krant: in de rij voor een legende. Dat is toch waanzin, hè?” U it een rondgang langs theaterdirecteuren blijkt dat Hermans de belangstelling voor zijn optredens niet overdrijft. De eerste twintig shows waren in een recordtempo goeddeels uitverkocht. In het theater van Hasselt werden eergisteren vanaf zeven uur volgnummertjes uitgedeeld in de hoop zo rellen te voorkomen tussen de mensen die al dagenlang belden om een van de 1.650 kaartjes te bemachtigen, vertelt directrice Berthe Stassen.

De artistiek-directeur van het Chassé-theater in Breda, Reg ten Zijthoff, zegt dat hij aanvankelijk zo zijn twijfels had over de wenselijkheid van een Toon Hermans-show. Maar uit een gesprek met de gitarist van Hermans heeft hij begrepen dat er sprake zal zijn van “een hele spectaculaire comeback”. Het publiek twijfelde daar überhaupt al niet aan. Na een “krankzinnige stormloop”, aldus Ten Zijthoff, waren de 1.270 Bredase kaarten binnen één dag uitverkocht.

Ook de Vlaamse uitgever Herman van Hove, tevens manager van Hermans, heeft de afgelopen maanden mogen ervaren dat er niets mis is met de populariteit van de cabaretier. Hij heeft een boek uitgegeven met afbeeldingen van de schilderijen van Hermans. In een paar maanden zijn er 4.300 verkocht à raison van 195 gulden per stuk: een unicum.

Op een boekenbeurs in Antwerpen waar Hermans eind vorig jaar zijn kunstboek presenteerde, moeten zich zulke chaotische taferelen hebben afgespeeld dat Van Hove op een gegeven moment waarachtig “voor een herhaling van het Heizeldrama” vreesde. “We werden met signeertafel en al een uur lang in de hoek van de zaal gedrukt”. Hermans is later nog een keer teruggeweest “met tien kleerkasten die hem beschermden”. I n het vorig jaar verschenen boek van Coen Verbraak waarin veertien cabaretiers over hun vak vertellen, staat een prachtige anekdote waarin Hermans uitlegt hoe de toenmalig directeur van Carré, Karel Wunnink, hem na afloop van voorstellingen meenam op excursie door de zaal. Hermans kreeg dan de stoelen te zien “die letterlijk natgepiest waren van het lachen”. Voor dergelijke taferelen, sust Hermans, hoeft niet meer te worden gevreesd.

“Dat kan ik niet meer, de mensen zó aan het lachen maken. Daar heb ik eerlijk gezegd ook geen trek meer in. Mijn humor is veranderd. Door het verlies van mijn vrouw en een bypass-operatie is mijn leven veranderd. Als zoiets zich niet in je werk weerspiegelt, ben je krankzinnig. Ik hang niet meer zo de beest uit als vroeger, ik doe niet meer zo gek.

“Humor kent ook zoveel variaties. De opperste lach is de glimlach, dat is de mooiste, kijk maar naar Boeddha. Ik ben een ander mens geworden, vind dat ik vooruit ben gegaan, heel behoorlijk. Ik kan nu dramatische dingen doen en hoef niet steeds leuk te wezen.”

Hermans koestert ook nog steeds de wens een serieus boek te schrijven maar vooralsnog krijgt hij “absoluut niet op papier” wat hij denkt. “Ik heb soms een hele mooie gedachte. Dan word ik wakker en dan denk ik godverdorie, nu weet ik opeens wat eindig is en wat oneindig. Maar ik krijg niet de kans om het op te schrijven, terwijl de bewogenheid en de impuls zo zuiver zijn. In liedjes zie je slechts flodders ervan, maar dat zijn niet mijn echte innerlijke gevoelens. Die zijn veel rijker dan ik zeggen kan. Ik ben namelijk van nature een man die denkt maar dat hoef je niet per se te kunnen verwoorden. Mensen die niks vertellen, hebben waarschijnlijk het meeste te zeggen.”

Via het Limburgse tafereel aan de muur gaat het slot van het gesprek over zijn geboorteplaats Sittard. Rietje, zijn Amsterdamse vrouw, ligt er begraven. “Ze vond Limburg zo'n fantastisch land dat ze een uur voor haar sterven zei dat ze in Sittard begraven wilde worden. Rietje stond er met carnaval binnen tien minuten op tafel in het café. Dan zag ik haar drie dagen niet meer. Ze had een merkwaardige feeling voor wat daar gebeurt. Wat dat voor een land is.

“Ik haat mensen die hun geboortegrond halsstarrig verdedigen, dat vind ik zo kortzichtig. Maar Rietje begreep dat Limburgers toch echt anders gek zijn dan de mensen hier. Daarom hebben ze boven de Moerdijk toch minder gevoel voor mijn humor dan onder de Moerdijk.

“Ik ben vooral een carnavalsgek en val niet onder het Ca-Ba-Ret. Ik ben altijd in het rijtje gezet van Sonneveld en Kan. Maar ik had geen enkele affiniteit met ze. Ik mocht die mensen graag - en zij mij ook - maar ik ben toch een andere mens. Ze zijn prachtig hoor, al die cabaretiers, maar het raakt me voor geen cent. Geef mij maar een gewone stomme bak zoals ze dat in Limburg kunnen. Moppen uit Limburg, die kin ich gaar nit vertaole. Dat is een andere geaardheid. Ik heb wel eens gezegd: als ik Limburgs spreek dan proef ik champagne, als ik Nederlands spreek sinaasappelsap.

“Ik heb ook altijd nog een soort verlangen naar de grond waar ik vandaan kom. Men spreekt niet voor niets over de aard van mensen. Dat is een natuurverschijnsel. Ik heb niet zo zeer heimwee naar Limburgers, want er zijn hele vervelende sodemieters bij, maar je verlangt naar het territorium dat het jouwe is. Het is het animale instinct dat in mensen huist: terug naar de stal, naar de geur van het land.”

Dan staat Hermans op en loopt naar de keuken om te kijken of het “voeder” al klaar is. Zijn driejarige kleindochter Gemma komt binnen en nestelt zich even later bij hem op schoot. Hermans knuffelt en kirt. “Het is werkelijk gek hoor, maar ik geloof dat we toch iets verspreiden in het nageslacht. Zij heeft iets van het theater in zich. Dat is zichtbaar in haar hele attitude: de mechaniek van het lichaam en de rust die ze uitstraalt.” Gemma zwijgt, praat alleen met haar kolossale ogen en snoept stilletjes van opa.

    • Marcel Haenen