Niet alle VUT-ters berusten in hun lot

DEN HAAG, 3 FEBR. Bij de reorganisatie keek de directie van het textielbedrijf hem ernstig aan. Op die leeftijd zou technisch leider ir. C. Harbrecht (toen 64) toch wel willen vertrekken? Maar Harbrecht achtte zichzelf geestelijk en lichamelijk nog uitstekend in staat zijn werk te vervullen. Toch vertrok hij, om de zaak niet te traineren. Een jongere, goedkopere medewerker nam zijn plaats in.

Een vreemd gevoel overviel Harbrecht. “De ene dag wordt je werk erg op prijs gesteld, de volgende dag ben je niet meer nodig.” Tot aan zijn 65ste moest hij de VUT in. Luieren was niets voor de voormalig technische leider uit Nuenen. Al snel ging hij op zoek naar een andere baan. “De concurrentie was moordend. Nuenen ligt vlak bij Eindhoven en Philips had net zijn hoger kader via allerlei regelingen laten vertrekken. Ik meldde me bij een ingenieursbureau in Noord-Brabant en zij zeiden: 'meneer, u moet de lijst met mensen eens zien die zich allemaal spontaan hebben gemeld'. Andere bedrijven vonden me gewoon te oud.”

Is de VUT een zegen of niet? Vorige week besloten minister Dijkstal (Binnenlandse Zaken) en de vakbonden de vervroegde uittreding voor ambtenaren en onderwijsgevenden op te heffen. Vanaf 1 april 1997 kunnen de ambtenaren op hun 62ste met pensioen met behoud van 70 procent van het laatstverdiende loon. Voor ambtenaren tussen 50 en 64 jaar komt een speciale overgangsregeling. De minister en de vakbonden noemen het 'flexibel pensioen'.

Met deze afspraak is de VUT definitief ter ziele. In 1994 hadden 153.200 mensen een VUT-uitkering, zo blijkt uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). In hetzelfde jaar genoten nog eens 23.300 mensen van hun vervroegde pensionering. Na hun vertrek uit het bedrijfsleven of de ambtenarij gingen zij veelal hun eigen gang - die in de meeste gevallen niet naar nietsdoen leidde. Zo ging een voormalig directeur van de warenhuisketen V&D geschiedenis studeren, werkte een werknemer van ABN Amro na zijn VUT aan vermogensbeheer en werd een oud-medewerker van Hoogovens vrijwilliger in Heemskerk.

Enkele beroepsgroepen kennen al sinds jaar en dag een vroege verplichte pensionering. Luchtmacht, landmacht, marine: de meeste werknemers in deze sectoren moeten wegens de zware lichamelijke eisen rond hun 50ste stoppen.

Onder VUT-ters en vroeg-gepensioneerden weigeren vooral degenen met een hogere functie in hun 'afschrijving' te berusten. “Ik ga pas 'lekker nietsdoen' als ik dood ben”, zegt Harbrecht.

Pagina 21: Afspraken niet toegesneden op tweede carrière

De meeste VUT-afspraken voorzien echter niet in een tweede carrière. VUT-ters mogen wel neveninkomsten hebben, maar de extra bijverdiensten worden ingehouden op hun uitkering. Daarentegen biedt een flexibel pensioen wel ruimte tot bijverdienen. Bovendien kan de oudere werknemer het tijdstip dat het flexibele pensioen ingaat, opschorten.

Sommigen krijgen het zowaar drukker dan voorheen. In maart 1994 nam F. Maljers op zijn zestigste afscheid als voorzitter van de raad van bestuur van het Brits-Nederlandse concern Unilever. Ruim vijfendertig jaar had hij bij Unilever gewerkt. Nu onderhandelde de 'gepensioneerde' namens de staat met Daimler-Benz over Fokker, is hij hoogleraar aan de Erasmus universiteit in Rotterdam, president-commissaris bij Philips en is hij commissaris bij KLM, Guinness, ABN Amro en SHV. Hij heeft inmiddels voor drie ochtenden in de week een secretaresse aangenomen om zijn agenda bij te houden en een administrateur om zijn maandelijkse BTW-opgave tijdig en op de juiste manier in te vullen.

De overheid heeft er weinig op tegen dat werknemers langer blijven doorwerken. Nederland vergrijst en ontgroent: de oudere bevolking neemt toe terwijl het werkende jongere deel, dat bijvoorbeeld de AOW moet opbrengen, kleiner wordt. Uit de laatste prognoses van het CBS blijkt dat het aantal mensen tussen de 55 en 64 jaar in 2025 zal zijn toegenomen met ruim een miljoen ten opzichte van vorig jaar. Daarentegen zal het aantal mensen tussen de 25 en 29 jaar in diezelfde periode stijgen met amper driehonderdduizend.

De VUT werd voor het eerst opgenomen in de collectieve arbeidsovereenkomst voor de bouw, in 1979. De toenmalige voorlichter van de bouwbond FNV, J. Sprenger, herinnert zich dat werkgevers en bonden van een aantal oudere bouwvakkers af wilden “die anders de WAO in zouden stromen”. Ook moest er plaats worden gemaakt voor jonge werknemers. In die tijd betaalde het ministerie van sociale zaken aan de VUT in de bouw mee.

Nu hameren overheid en werkgevers op het einde van de VUT. De regeling zou het verschil tussen het bruto- en netto loon (de zogeheten 'wig') te groot maken en veel kennis en ervaring uit de bedrijven doen wegstromen. Het kan verkeren in het bedrijfsleven. In de eerste helft van de jaren negentig moest het oudere personeel veelal bij grote saneringen als eerste vertrekken - of ze wilden of niet. Philips zette met operatie Centurion de toon: 4.500 werknemers van 55 jaar en ouder verlieten het pand. Vrachtwagenfabrikant Daf zette ook een groot deel van zijn 55-plussers op straat, staalconcern Hoogovens volgde.

De 'vrijwillige' vertrekregelingen kwamen hard aan. Veel oudere medewerkers van Hoogovens wilden in eerste instantie niet vertrekken. Hun collega's bij chem econcern DSM reageerden anders. Deze 55-plussers waren woedend toen bleek dat de afgesproken afvloeiingsregeling alleen gold voor mensen van 58 jaar en ouder. DSM-medewerkers van 55 jaar en met een dienstverband van veertig jaar - waarvan een deel onder de grond in de mijnen werd doorgebracht - moesten blijven.

Oudere werknemers in lagere functies reageren over het algemeen hetzelfde op de mededeling van de directie als ze het bedrijf moeten verlaten, meent F. Koolen. Hij was destijds bestuurder van de Industriebond FNV bij DAF en maakte het faillissement van 'den oude Daf' mee. “De mensen voelen zich afgedankt. 'Oh, kan ik gemist worden', zeggen ze. Later leren ze het ontslag te accepteren. Nog later willen ze niet meer terug. 'Frank, dat ik dit niet tien jaar eerder heb gedaan', zeiden de oude Daf-medewerkers tegen mij.”

Daarentegen zocht Harbrecht door. Aan een betaalde baan kwam de voormalig ingenieur niet meer, maar via een vriend hoorde hij van het Programma Uitzending Managers van de werkgeversorganisatie VNO-NCW. In het kader van dit programma worden oudere managers en vaklieden naar het buitenland gestuurd om daar bedrijven te adviseren. Harbrecht vertrok voor drie maanden naar een textielfabriek in Mali. Hij had al eerder in Afrika gewerkt: als bedrijfsleider van een textielfabriek in Ghana waar hij in 1984 door schietende rebellen van het bedrijfsterrein werd verdreven en in het vliegtuig op weg naar Nederland al tot persona non grata werd verklaard.

En de VUT? Dat is volgens Harbrecht een regeling die “in ieder geval niet is gebaseerd op de verstandelijke en lichamelijke vermogens van de mens”. Zo kent Harbrecht een man die op zijn 55ste totaal afgebrand was. Maar ook een ingenieur die zijn 88ste nog adviseur van de Israelische regering was. “En die man was nog lang niet gek.”

    • Yaël Vinckx