Nederland weet nu wat Turken al wisten

In het rapport-Van Traa wordt de misdaad in delen van de Turkse gemeenschap besproken. Inzake criminaliteit onder Turkse jongeren.

ROTTERDAM, 3 FEBR. Nee, echt verrast is E. Ates niet door wat het IRT-rapport over de criminaliteit onder de Turken in Nederland te melden heeft. Ates is voorzitter van de Islamitische Raad Nederland en vertegenwoordiger van het belangrijkste deel van de Turkse moskeegangers. Hij heeft in de loop der jaren veel gehoord hier en daar; het klopt dat er een grote Turkse betrokkenheid is bij de drugshandel. Het meest bedreigende is misschien nog wel dat de jongeren - zo vaak werkloos dezer dagen - in de verleiding worden gebracht hun karige inkomen langs deze eenvoudige weg riant aan te vullen. En berustend zegt hij nu: “Wat onder ons min of meer bekend was, weet nu het hele land.”

De Turken zullen er op aangesproken worden - hij weet het. Een beetje hulpeloos somt hij de gebruikelijke crisismaatregelen op die gauw genomen moeten worden: de 'organisaties' bij elkaar halen, standpunten innemen, overleggen, maatregelen aankondigen. Maar welke? Ze zijn eigenlijk al jaren doende de jeugd in het gareel te houden met preken en gepast vertier in de moskee. “Het blijkt niet genoeg te zijn”, zegt Ates op ernstige toon, “we moeten mensen onder nog grotere gewetensdruk brengen”.

De groep moet beschermd worden, de goede naam in ere gehouden - Ates belooft een scherpere groepsgrensbewaking. Maar dan kiest hij voor de aanval. “We kunnen niet, zoals op tv is geopperd, naar die criminelen gaan en zeggen: willen jullie je een beetje rustig houden voortaan? Dat is een waanzin-idee!

“Het gaat er om wat de politie doet. De kritiek van het rapport is dat de politie een beetje Turken-moe is. Ik denk dat het nog wel scherper gezegd kan worden: ze schrijven dat het allemaal zo moeilijk aan te pakken is omdat de Turken niet spraakzaam zijn en de families zo gesloten. Maar zo onoverzichtelijk is het niet. Als een jongen die geen baan heeft in een dure auto rijdt dan hoef je er geen professor voor te wezen om te weten dat -ie daar niet op een normale manier aan gekomen is. Dat kan toch bijvoorbeeld fiscaal-rechtelijk aangepakt worden?

“Ze doen alleen iets als er duidelijk sprake is van overlast. Tot zolang laten ze iedereen maar begaan. Dat is een van de belangrijkste oorzaken van de Turkse criminaliteit: het milde beleid, het lakse politieoptreden, de lichte straffen. Daar zal nu toch iets aan gedaan moeten worden! Als de jongens nergens bang voor hoeven zijn, wat kun je dan verwachten?”

De achttien pagina's in het IRT-rapport over de Turkse criminaliteit zijn vooral gewijd aan de mafia in Turkije. Voor zover er in Nederland sprake is van Turkse georganiseerde misdaad - zo wordt opgelucht vastgesteld - gaat het alleen om 'uitvoerders'. “Het brein bevindt zich elders”, aldus het rapport. Dat betekent bijvoorbeeld dat er praktisch geen banden zijn met de legale Nederlandse economie en politiek. Verontrustend is wel de omvang van de drugshandel, al dan niet verbonden met de mafia. Welk deel van de 200.000 Turken in Nederland daar nu feitelijk bij is betrokken, is niet te zeggen. In het rapport worden de 'tientallen procenten' waar de criminoloog Bovenkerk tijdens de commissieverhoren over sprak, niet nader toegelicht. Slechts de onmogelijkheid van kwantitatieve schattingen wordt benadrukt.

Er zijn wel ongunstige omstandigheden te noemen. Zo kan de mafia volgens het rapport in Turkije op veel populair ontzag rekenen, hier dus ook. “In bepaalde kringen dan”, vindt Ates, “de mensen om mij heen praten slechts denigrerend over lui die met geld uit dat soort 'handel' hun status moeten kopen.” Die bepaalde kringen zijn niet direct crimineel, maar wel nauwelijks geschoold en afkomstig van het Turkse platteland. Dat zijn degenen die snel geïmponeerd zijn, en erger, ook vaker afhankelijk: als illegaal in het Westland bijvoorbeeld kunnen ze een machtig familie- of stamlid niet makkelijk een dienst weigeren. De Turkse criminaliteit kent zo haar eigenheid, maar de Nederlandse economie bepaalt haar mogelijkheden.

Het IRT-rapport, zegt de Leidse turkoloog D. Koopman, onderkent niet genoeg dat er ook onder de Turken in Nederland rangen en standen zijn. “Er is een belangrijke groep, een soort middenklasse, die er niets mee te maken heeft en er niets mee te maken wìl hebben. Dat is het nadeel van de optiek van politiegegevens, want die groep ontbreekt helemaal in het rapport. Het suggereert dat alle Turken heel kwetsbaar zijn, en dat het allemaal mis gaat als je niet oppast, want ze hebben zo weinig alternatieven. De conservatieve milieus, met hun juist zo strenge sociale controle, vallen geheel buiten beschouwing. Fundamentalistische groepen zijn er ook zeer tegen. De sterke suggestie in het rapport dat de drugshandel onder Turken wordt goedgepraat in de trant van: het is een ander land, hier mag het allemaal, dus wat kunnen wij er aan doen - dat is niet waar.”

Fundamentalistisch is de Milli Güors, die duizenden Turkse jongeren organiseert. Voorzitter T. Taspinar van de jongerenafdeling is geschrokken van het rapport. Natuurlijk wist hij van de mafia, maar dat het zo uitgebreid is, daar had hij niet op gerekend. Daar zullen ze in de vereniging zeker gauw over gaan praten. “Mijn zoon haalt in een Marokkaans café wel eens zo'n sigaretje. Ik hou daar niet van. Ik heb hem daar laatst nog eens over onderhouden. Maar ik begrijp nu dat het makkelijk veel verder kan gaan. Ik moet toch weer eens met hem praten.”

Ook van de mafiose rol die politieke groepen als de Koerdische PKK en de ultra-conservatieve Grijze Wolven spelen, had Taspinar een bescheidener voorstelling. Over de PKK zal hij zich verder niet druk maken. “Die komen we in onze vereniging weinig tegen. Maar Grijze Wolven wel, die zitten bij ons, en trouwens ook bij de reguliere moskeeën. Ik hoor er wel van op. Het is echt gevaarlijk!”

Koopman kan deze zorg enigszins relativeren. Grijze Wolven hebben, zoals in het rapport goed wordt uitgelegd, in Turkije wel een zeer gewelddadige rol gespeeld, maar “de grote meerderheid van de leden in Nederland is alleen fanatiek nationalistisch, meer niet”.

Ates, die voor de grote groep van brave moskeegangers spreekt, is toch ongerust. “Er is een zwakke kant. Uit het rapport kan je leren hoe in Turkije de mafia verweven is met de politiek en met het leven in het algemeen. Dat wist ik al, en dat heeft natuurlijk een invloed hier die heel moeilijk te doorbreken is. Je vliegt in drie uur naar Istanbul; niet af te luisteren GSM-telefoons kun je net zo goed hier als in Turkije gebruiken; er zijn satellietverbindingen voor de tv, en de Turkse kranten kan je hier dagelijks kopen. Dat houdt ons heel erg gericht op de gang van zaken in Turkije. Het betekent dat we afgeschermd blijven naar de Nederlandse kant toe.”

Dit is het tweede deel van een serie over criminele circuits. Het eerste deel verscheen 2 februari.

    • Martijn de Rijk