Na Van Traa

COLLECTIEVE SCHULD leidt niet zelden tot de belofte van collectieve verbetering. De eerste reacties uit de politiek op het eindrapport van de parlementaire enquêtecommissie opsporingsmethoden voldoen volledig aan deze stelregel. Iedereen erkent dat er fouten zijn gemaakt, iedereen is geschokt, iedereen neemt de door de commissie gesignaleerde drievoudige crisis in de opsporing van de misdaad uitermate ernstig en iedereen erkent ten slotte de noodzaak voor het treffen van maatregelen om het vertrouwen in de rechtsstaat te herstellen. De commissie-Van Traa heeft op het eerste gezicht een vorm van eensgezindheid weten op te roepen die doet vermoeden alsof er net een nationale ramp heeft plaatsgehad. Ook dan is de politiek graag bereid een stap opzij te zetten voor het hogere doel.

Maar of de nu geventileerde eenstemmigheid werkelijkheid dan wel schijn betreft zal de komende weken pas echt blijken. De nadruk die de diverse politici hebben gelegd op het voorlopige karakter van de reacties is in dit geval zeker geen pro forma mededeling. Het rapport van de commissie-Van Traa is dermate veelomvattend, dat conclusies onmogelijk binnen 24 uur zijn te trekken. Wie zijn oor goed te luisteren legde hoorde veel waarderende woorden, maar kon tegelijk vaststellen dat niemand zich nog committeerde. De leden van de enquêtecommissie kunnen zich dan ook niet al op voorhand rijk rekenen. VAN POLITIEKE BETEKENIS is dat de roep om een veroordeling van de direct verantwoordelijken is uitgebleven en dat premier Kok namens alle overige ministers onomwonden het vertrouwen heeft uitgesproken in minister Sorgdrager van Justitie. Zij zal leiding geven aan het veranderingsproces dat nu in gang wordt gezet. De volgens Kok “grote mate van onderlinge solidariteit” is niet verrassend. Als sprake was geweest van het tegendeel had het land nu met een ministerscrisis gezeten. Het neemt echter niet weg dat mevrouw Sorgdrager de expliciet geuite steun op dit moment goed kan gebruiken.

Wat het andere betreft - de roep om een veroordeling van de verantwoordelijken - kan worden opgemerkt dat de commissie zich terecht niet op dat pad heeft begeven. Het trekken van dergelijke conclusies is niet de taak van een onderzoekscommissie die feiten moet aandragen en verantwoordelijken dient aan te wijzen. Eventuele personele gevolgtrekkingen komen van hen die daartoe gemachtigd zijn. Het stilzwijgen op dit punt van de Tweede Kamer en het kabinet kan gemakkelijk verkeerd worden uitgelegd. Want dat er in het kader van het personeelsbeleid nog iets moet gebeuren, is evident. IN ZIJN REACTIE op het rapport van de enquête-commissie wekte premier Kok gisteren de indruk de schuldvraag slechts van ondergeschikt belang te vinden. Veel belangrijker was volgens hem de vraag hoe het veiligheidsgevoel kan worden hersteld. Strikt genomen heeft hij daarin natuurlijk gelijk. Maar het een is onlosmakelijk met het ander verbonden. Het gezag kan niet overtuigend worden hersteld als dat gezag ook niet streng is voor de directe eigen omgeving. Zonder onmiddellijk namen of rugnummers te noemen, had Kok wel even bij dat gegeven mogen stilstaan. De verantwoordelijkheidsvraag moge een lastige zijn - dat is echter nog geen reden deze geheel uit de weg te gaan.