Kinderen van 'de achterbankgeneratie' worden altijd begeleid; Kluizenaars van het kinderzitje

Het stadskind van nu gaat nergens meer alleen naar toe. School, sport, spelen; de ouders houden het handje vast en spelen chauffeur. Portret van de 'achterbankgeneratie': de veranderingen in het leven van het kind uit het kleine, welvarende gezin. Pietje Bell zit voortaan binnen.

Jop (6) heeft geluk: zijn vriend woont een straat verderop. Jop kan over één stoep en zonder oversteken naar hem toe lopen. Soms mag dat. “Als ik hem alleen laat vertrekken voel ik me een heldhaftig mens”, zegt zijn moeder.

Josefine (8) weet volgens haar vader al wat stress is. Als ze buiten wiegelend naast hem fietst of waggelend voor hem uit loopt, houdt hij zijn hart vast. “En daardoor wordt Josefine ook nerveus. Ze is stijf, onoplettend en onhandig. Ze is een houten Klaas geworden omdat haar moeder en ik zo oppassend zijn.”

Jacob (7) heeft een rustig pleintje voor zijn huis, maar hij speelt er zelden. “Buiten interesseert me niet zo”, zegt hij. “Er kan niet zoveel.” Maar als hij zelf zou kunnen kiezen wat hij buiten wilde doen, zou hij het ook niet weten. “Ik kan me eigenlijk niet zo goed voorstellen dat ik buiten zou spelen. Ik ben binnen gewend.”

Jop en Jacob wonen in Amsterdam-zuid, Josefine in het centrum van de stad. Alle drie zijn ze enig kind en hebben ze werkende ouders met een goed inkomen. Ze komen vrijwel nooit alleen buiten. Jop, Jacob en Josefine behoren tot de zogenoemde achterbankgeneratie. Sinds de term vorig jaar werd geïntroduceerd door sociaal geografe Lia Karsten, verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, zullen weinig ouders er prat op gaan een achterbankkind te hebben. De achterbankgeneratie werd al snel geassocieerd met verwende monstertjes die in de auto van hun ouders overal naartoe worden gereden. Van de ver gelegen, chique school naar speelafspraken; van dure vioolles naar computerclub; van schaakles naar ballet. Overspannen kinderen van overspannen ouders zouden het zijn, calculerende kinderen met overvolle agenda's die in hun schaarse vrije tijd voor de televisie hangen en zo nog dik worden ook. De vraag 'heeft u leerlingen van de achterbankgeneratie' leverde bij elf Amsterdamse basisscholen in drukke stadsdelen dan ook een resoluut 'nee' op.

“Mensen die zeggen dat de achterbankgeneratie niet bestaat, zien het als een negatief verschijnsel waar ze niet aan meedoen”, zegt Lia Karsten. “Voor mij is het een neutraal begrip. Het gaat niet om een nieuwe trend, maar om een gevolg van een sociaal-ruimtelijke ontwikkeling die verder gaat dan de meeste mensen beseffen. Iedereen heeft ermee te maken. Vooral in een stedelijke omgeving.”

Karsten zette een aantal ontwikkelingen binnen het gezin nog eens op een rij en bracht ze in verband met veranderingen in de stedelijke structuur. Ze constateerde dat het leven van stadskinderen, met name die uit de zogenoemde 'betere milieus', sinds de jaren zestig ingrijpend is veranderd. Door kleinere gezinnen met nieuwe machtsverhoudingen, toenemende welvaart en het steeds slechter toegankelijk worden van de openbare ruimte zijn deze kinderen volgens haar steeds meer in hun bewegingsvrijheid beperkt. Zij zijn achterbankkinderen, ook al zitten sommigen nooit in een auto. Een kind van de achterbankgeneratie is misschien wel vaker op de fiets te vinden, of zelfs wandelend. Maar dan wel altijd in het kinderzitje achterop, of aan de zijde van een volwassene. Want een achterbankkind wordt vrijwel constant door iemand begeleid.

Op afspraak spelen

Na de komst van de pil in 1964 daalde het gemiddeld geboortecijfer in tien jaar van 3 kinderen tot 1,6 kind per vrouw. Er waren dus steeds minder broertjes en zusjes om mee te spelen en ook in de buurt werden kinderen schaarser. Om kinderen voordat ze naar de kleuterschool gingen toch met voldoende leeftijdgenootjes in aanraking te laten komen, werden in de jaren zeventig de eerste peuterspeelzalen opgericht. Karsten: “Spelen werd daardoor al op jonge leeftijd een georganiseerde activiteit die ergens anders plaats had dan thuis. Met de peuterspeelzaal werd het normaal om op afspraak te spelen op een plek waar kinderen naartoe moesten worden gebracht.” Aanvankelijk gingen er vooral kinderen van een beperkte groep idealistisch ingestelde ouders heen, maar inmiddels bezoekt volgens het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) bijna een kwart van alle kinderen tot 3 jaar een peuterspeelzaal of peuterklas.

Binnen het gezin veranderden met de emancipatie vanaf de jaren zestig ook de machtsverhoudingen. Er werd minder autoritair opgetreden en meer onderhandeld, moeders accepteerden hun traditionele rol niet meer zomaar en gingen eisen stellen. Ook kinderen kregen meer te zeggen. Karsten: “Het aantal echtscheidingen nam toe en er ontstonden meer eenoudergezinnen. Steeds meer vrouwen gingen buitenshuis werken en hun kinderen werden in toenemende mate elders, verder weg opgevoed. Ook daar konden ze vaak niet op eigen houtje naartoe.”

Volgens de Stichting Organisatie voor Strategisch Arbeidsmarktonderzoek (OSA) werkt nu ruim 45 procent van de vrouwen in Nederland full- of parttime. In 1961 was dat nog 27 procent. Het aantal kinderen dat naar een kinderdagverblijf gaat is alleen al tussen 1989 en 1993 meer dan verdubbeld, wijzen cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) uit: van ruim 25 duizend kinderen tot bijna 64 duizend kinderen. Bovendien nam de deelname aan andere vormen van opvang in die periode alleen maar toe. Het aantal kinderen met buitenschoolse opvang steeg bijvoorbeeld van ruim drieduizend tot bijna veertienduizend, en terwijl er in '89 nog nauwelijks kinderen naar gastouders gingen waren het er in '93 meer dan elfduizend. In Amsterdam gaat nu 35 procent van alle kinderen jonger dan vier jaar een of meer dagen per week naar een van de honderdveertig kinderdagverblijven in de stad.

Karsten: “Zo kwamen er in de stad dus ook minder kinderen buiten die op elkaar konden letten, en er waren minder moeders in de buurt die spontaan een oogje in het zeil hielden. En toen vanaf de jaren zestig ook veel gezinnen de stad verlieten om zich in de nieuwe suburbs te vestigen, zijn er definitief enorme gaten geslagen in de netwerken van kinderen, ouders en buren die elkaar vanzelfsprekend in de gaten hielden. De straat werd daardoor steeds onveiliger voor kleine kinderen gevonden.”

Aan de gracht waar Josefine woont, heerst volgens haar vader nu een sterke 'eigen kind eerst'-mentaliteit. Hij wil anoniem blijven omdat hij er al vaak ruzie met zijn buren over heeft gehad. “Ouders leren hun kinderen hier tegenwoordig al vroeg de wetten van de survival of the fittest om de sociale onveiligheid in de stad de baas te kunnen. Laatst schopte een jongetje een ander kind van een trap af. 'Goed zo!', riep zijn moeder, 'voor jezelf opkomen!' Ik vind dat schokkend. Josefine kan er ook niet tegen. Die speelt liever in haar eentje op haar kamertje met poppetjes en beertjes. En ik probeer haar niet op andere gedachten te brengen.” Ook Nico Kuiper, directeur in Amsterdam oud-west van de Stichting Welzijn voor kinderopvang en -buurtwerk, vindt dat kinderen tegenwoordig ruwer met elkaar omgaan: “Dat ze elkaar bijvoorbeeld dwingen om hun dure gymschoenen af te staan is echt niet meer zo uitzonderlijk. Ouders zijn terecht bezorgder geworden. Sommigen vinden zelfs een speeltuin of buurthuis niet meer geschikt voor hun kind.” Josefines vader zag een paar maanden geleden een reportage over een zesvoudige verkrachter die vrij rondliep op de televisie. “De camera volgde hem door míjn buurt! Dan ben ik wel gek om mijn dochter naar buiten te sturen.”

Vergezellen

Wat het verkeer betreft, leek de openbare ruimte een paar jaar geleden juist spectaculair veel veiliger te zijn geworden. Ofschoon het aantal auto's in Nederland tussen 1972 en 1992 met 85 procent steeg tot ruim 5,5 miljoen, overkwam in '92 veel minder kinderen een verkeersongeluk. Tussen 1972 en 1992 nam het aantal kinderen tussen 0 en 14 jaar wel met dertig procent af, maar het aantal in het verkeer gedode kinderen daalde in die periode met liefst 80 procent, terwijl in verhouding tot de cijfers uit '72 bijna de helft minder kinderen gewond raakte. De pressiegroep Kinderen Voorrang! (voorheen 'Stop de kindermoord' geheten) liet in 1993 onderzoeken hoe dat mogelijk was. In de drukke Amsterdamse Kinkerbuurt bleken kinderen pas anderhalf jaar later alleen naar school te mogen dan in rustige, kindvriendelijke wijken in Haarlem, het Brabantse dorp Loon op Zand en in het Friese Weststellingwerf. Een derde van de Amsterdamse kinderen speelde bijna nooit buiten en ruim veertig procent vrijwel nooit zonder toezicht. In veilige plaatsen mogen kinderen al op hun achtste naar een vriendje of een club; in de Kinkerbuurt pas met ongeveer tien jaar. Kinderen Voorrang! kwam tot de conclusie dat ouders hun kind tegenwoordig langer op straat begeleiden of ze gewoon binnen houden. “Kinderen krijgen gewoon de kans niet meer om te verongelukken”, zegt een medewerkster.

Toch biedt het te voet vergezellen van een kind volgens de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV) nauwelijks garantie dat het kind veiliger is. Ongeveer een derde van de kinder-voetgangers die een verkeersongeval overkomt wordt begeleid. Voor de wandelende ouders lijkt het overigens wèl veiliger om een kindje mee te nemen. Zonder kind aan de hand negeert bijna de helft van hen een rood stoplicht. Met kind is dat nog maar drie procent. Ook over heel Nederland bezien blijken kinderen in de basisschoolleeftijd meestal niet alleen op straat te mogen. Omdat de bewegingsvrijheid van kinderen pas sinds kort wordt gemeten, is nog niet nauwkeurig vast te stellen hoe groot het verschil sinds de jaren zestig is. Het CBS, dat jaarlijks met het Onderzoek Verplaatsingsgedrag de mobiliteit in Nederland in kaart brengt, onderzocht in 1994 voor het eerst hoe de ruim 2,2 miljoen Nederlandse kinderen beneden de 12 jaar zich verplaatsen. Eén op de tien kinderen onder de twaalf jaar bleek dat jaar gemiddeld per dag helemaal niet de deur uit te gaan. Kinderen die tussen vier en acht jaar oud waren, kwamen maar één op de tien keer zonder begeleiding op de openbare weg. Bij kinderen van acht tot twaalf jaar was dat slechts vier van de tien keer het geval. Meestal ging het dan om korte afstanden, naar een school of vriendje in de buurt.

“Ik ging op mijn zesde al lang en breed alleen op de step naar school”, zegt Jops moeder Margit Aba. “Jop fietst niet, hij weigert het te leren. Hij ziet er het nut niet van in en daar heeft 'ie nog gelijk in ook. Want tot zijn twaalfde mag mijn kind hier niet alleen op een fiets. Ze rijden hem zo omver. Maar ik vind het wel vreselijk voor hem om altijd maar op zijn lip te moeten zitten. Jop kan nooit eens zonder ons doen wat hij wil.”

Spontane invallen

In Zwitserland is onlangs onderzocht wat het effect van verkeersonveiligheid op de ontwikkeling van vijfjarigen is. In Zürich werd een groep kinderen uit rustige wijken, de zogenoemde 'A-kinderen', vergeleken met 'B-kinderen' die in een gevaarlijke, drukke buurt wonen. De resultaten werden door middel van een enquête onder alle gezinnen met vijfjarige kinderen in de stad getoetst. Volgens het onderzoeksrapport Lebensräume für Kinder hebben B-kinderen minder, en ook minder intensief contact met leeftijdgenootjes. Hun ouders proberen dat te compenseren door met ze naar speelplaatsen te gaan. Maar omdat er zo altijd een volwassene in de buurt is die kan ingrijpen, leren de B-kinderen minder goed dan de A-groep hoe ze zelfstandig met andere kinderen om moeten gaan. Bovendien is op speelplaatsen minder ruimte voor spontane invallen: de rolschaatsen liggen thuis. B-kinderen kennen dan ook minder verschillende spelletjes dan A-kinderen. Door dit alles heeft de B-groep een opvallende achterstand in sociale en motorische ontwikkeling opgelopen. Ze zijn minder lenig, springen minder goed en hebben minder gevoel voor evenwicht. Volgens hun kleuterleidsters hebben ze er bovendien meer moeite mee hun werkzaamheden te ordenen. Zelf zeiden de B-kinderen conflicten met andere kinderen vaak niet te begrijpen.

“In de vakanties mag Jop soms bij zijn nichtje Sofie logeren”, zegt Margit Aba. “En dat clasht dan. Sofie speelt veel op straat, die heeft wel geleerd voor zichzelf op te komen. Als Jop dan eens een duw krijgt of uitgescholden wordt, raakt hij daar helemaal van ondersteboven. Hij heeft vergeleken met zijn nichtje geen achterstand, maar hij is wel anders. En Sofie vindt hem een watje.” Toch heeft het binnen spelen Jop en zijn vriendjes volgens zijn moeder juist sociaal gemaakt. “Buiten geldt het recht van de sterkste, en als dat je niet bevalt loop je weg. Binnen kan dat niet, dus ze moeten hun gedrag op elkaar afstemmen. Die kinderen praten onderling ontzettend veel, ze zijn steeds aan het overleggen wat ze nou weer eens zullen doen. Zes jaar zijn ze, en ze hebben al een onderhandelcultuur! Compromissen sluiten is al volkomen normaal voor ze.”

Rekenschap afleggen

Jacob krijgt muziekles, zwemles en binnenkort ook schaakles. Hij bezoekt al regelmatig het Concertgebouw. “Daardoor wordt hij sociaal meer sophisticated”, zegt zijn vader Ton Zwaan. “Hij is in veel dingen verder ontwikkeld dan ik vroeger. Hij leert hoe hij zich moet gedragen in vreemde situaties, en hoe hij moet omgaan met mensen die anders zijn dan hij.” “Nu ouders minder kinderen krijgen, is een correcte opvoeding belangrijker voor ze geworden”, zegt Karsten, die nog eens benadrukt dat de veranderingen binnen het gezin vooral de upper en upper middle class betreffen. “Voor kinderen uit lagere klassen en die van etnische minderheden ziet het gezinsleven er heel anders uit.” Zij groeien nog vaker op in grotere gezinnen met een laag inkomen en een minder individualistische cultuur. Ze bezoeken minder clubs en kunnen meer op straat spelen: de oudere broers of zusjes letten op. Karsten rekent hen dan ook niet tot de achterbankgeneratie. Toch hebben allochtone kinderen over het geheel genomen minder bewegingsvrijheid. Volgens Kinderen Voorrang! komt dat doordat de gemiddelde cijfers op extremen berusten: vooral veel meisjes mogen nooit buiten spelen, terwijl de rest juist veel meer op eigen houtje onderneemt dan Nederlandse kinderen.

Ook al werden er steeds minder Nederlandse kinderen geboren die steeds vaker buitenshuis werden opgevangen, en al kregen de moeders het drukker met een baan; de tijd die zij gemiddeld aan hun kinderen besteedden nam de afgelopen twintig jaar toch met ongeveer zes uur per week toe. Karsten: “Voor mijn vorige onderzoek sprak ik met moeders in volkomen veilige nieuwbouwwijken. Een van hen bracht haar kind altijd naar school, terwijl die vlakbij lag. 'Belachelijk hè', zei ze, 'maar als er wat gebeurt word ík erop aangekeken.”

Bewust ouderschap betekent tegenwoordig vooral: meer rekenschap moeten afleggen over de opvoeding van je kind. Naarmate het kindertal daalt en de welvaart toeneemt, veroorloven ouders zich volgens Karsten dan ook steeds meer om hun kind in zijn ontwikkeling te stimuleren: “Ze beginnen er steeds eerder mee. Baby's krijgen zwemles, en zelfs als ze nog niet geboren zijn kunnen moeders al een cursus baarmoeder-zingen volgen. Gewoon een bord eten moet tegenwoordig een uitgebalanceerd dieet zijn. Schoolkinderen moeten naar allerlei clubs en krijgen steeds vollere agenda's. En hun ouders meestal ook, want de afstanden nemen toe. Bijvoorbeeld sportvelden zijn steeds meer aan de rand van de stad komen te liggen.”

Karsten telde het aantal kindervoorzieningen in telefoonboeken en concludeerde dat er sinds de jaren zeventig veel meer geprivatiseerde kinderruimtes bij zijn gekomen. Amsterdam heeft inmiddels een kindertheater, een kinderkunstuitleen, een kindermuseum, kinderkappers, een kindermeubelwinkel en kinderboekwinkels, maar die zijn voornamelijk te vinden in een beperkt gebied in het centrum, zodat de meeste kinderen er niet alleen naartoe kunnen.

Op speelvoorzieningen en buurthuizen in de buurt werd door de overheid bezuinigd. Wel werd in sommige buurten zoals in Amsterdam oud-west de 'buurtsportwerker' geïntroduceerd, die met een net vol ballen en ander speelmateriaal door de wijk trekt om rondhangende kinderen in beweging te krijgen. “Als ze al aan het spelen zijn bemoeit hij zich er niet mee en let hij alleen een beetje op”, zegt Nico Kuiper van de Stichting Welzijn. “Hij vervangt eigenlijk de grote broer die er niet meer is.”

Volgens J. Bros van de stichting Speelruimte, die op verzoek de speelvoorzieningen in gemeenten onderzoekt, heeft de helft van de speeltuinen in Nederland, de zogenoemde 'formele speellokaties', een achterstand in beheer, onderhoud en veiligheid. “En ze zijn ook slechter bereikbaar geworden”, zegt Bros. De meeste speelruimtes in Nederland dateren uit de jaren vijftig en zestig. Bros: “En dan loopt daar opeens een weg doorheen.” Sinds 1980 is het aantal verharde wegen in Nederland met vijftien procent uitgebreid. De Stichting Speelruimte benadrukt het belang van 'informele speellokaties' als een brede stoep of een gangetje achter het huis. Volgens de stichting spelen Nederlandse kinderen per jaar twee keer zoveel in informele ruimtes als in formele ruimtes. Bros: “Wat herinneren mensen zich als het leukste spel uit hun jeugd? Lekker door een weiland hollen. Of een kuil graven, of een hut bouwen. Bijna niemand denkt aan een schommel of iets dergelijks. En toch wordt er steeds weer zo'n wipkip neergezet, waar geen kind op wil.”

“Er zijn hier nogal wat ouders bezig met het opzetten van kindernetwerken, zodat ze toch nog eens iets leuks kunnen doen”, zegt Jacobs vader Ton Zwaan. “Maar als beslist moet worden wie de kinderen van wie meeneemt, geven status en eigenbelang nogal eens de doorslag. Zelf laat ik Jacob ook liever spelen met iemand aan wie hij wat heeft.” Margit Aba: “Ik zie op Jops school veel ouders onnatuurlijke deals maken. Dan moet zo'n kind voortaan iedere maandag of donderdag bij een bepaald vriendje spelen omdat dat voor de ouders handig is. Oók als ze ruzie of gewoon geen zin hebben.”

De vader van Josefine gaat niet meer met de ouders bij hem in de buurt om. “Laatst zei een vrouw tegen me: mijn kinderen zijn gewoon de leukste. Dat typeert de sfeer hier volkomen. Iedereen wordt opgeslokt door zijn eigen kind.” Volgens Karsten is er geen reden tot paniek zolang er nog geen exacte cijfers over de hoeveelheid achterbankkinderen zijn. “En je hebt ze natuurlijk in gradaties.” Wel gelooft ze dat de potentiële achterbankgeneratie groot genoeg is om in de gaten te houden. Meer dan de helft van de Nederlandse kinderen woont in een stad. “Maar in mobiliteitsscenario's wordt er nog nog nauwelijks rekening met ze gehouden. Als de mobiliteit van de overheid naar beneden moet, dan moet je ook letten op de mobiliteit in de zorgsector.” De stad vindt ze voor kinderen helemaal niet ongeschikt. “Ze doen er veel verschillende ervaringen op. En er is wel meer veranderd in het leven.” Wel kan er volgens Karsten veel verbeterd worden: “In de stedebouw zou meer rekening gehouden moeten worden met kinderen. Naar hun behoeften moet nog meer onderzoek worden gedaan.” Zelf liet Karsten onlangs Amsterdamse kinderen observeren en enquêteren. Over een half jaar hoopt ze de resultaten bekend te maken.

“Josefien komt gewoon niet meer op het idee om samen iets met andere kinderen te ondernemen”, zegt haar vader. Margit Aba: “Jop vraagt de laatste tijd om een stacaravan buiten de stad. Steeds meer van zijn vriendjes hebben dat en het lijkt me eigenlijk wel een goede oplossing.” De vader van Jacob krijgt nogal eens te horen dat hij overdreven bezorgd is en zijn zoon verwent. “Maar waarom zou dat niet goed zijn? Een zorgzame opvoeding kan een persoonlijke sterkte opleveren waardoor je tegenslagen evengoed kunt verwerken. En alleen mensen die het allemaal al hèbben vragen zich af of al die materiële zaken wel goed zijn. ”

Jacob: “Ik zou wel eens gewoon op een rustige plek willen wonen. De stad is zo groot.” Wat hij daar zou gaan doen? “Tekenen op mijn kamertje.”