Ian Fleming (1908-1964); James Bond avant la lettre

ANDREW LYCETT: Ian Fleming

486 blz., geïll., Weidenfeld & Nicolson London, 1995, ƒ 63.-

Ian Fleming was in zijn jeugd al het verwaten en met te veel luxe omgeven kereltje dat zijn latere literaire alias James Bond nooit helemaal zou ontgroeien. Zijn gedachtenleven werd op zijn vijftiende jaar reeds overwegend beheerst door vrouwen, geld en snelle auto's en dat zou de rest van zijn leven zo blijven. Tot zijn dood hing hij de nooit volwassen geworden play-boy uit die bij voorkeur zijn dagen sleet op de golfbaan of in diepzeewater. Mensen boeiden hem nooit lang en zelfs op zijn talrijke liefdes raakte hij snel uitgekeken. Eigenlijk was Ian Fleming een vervelend heerschap, maar dat heeft Andrew Lycett er niet van weerhouden een belangwekkende biografie van de schepper van James Bond te schrijven waarin het leven van deze getalenteerde supersnob wordt afgeschilderd tegen de politieke achtergrond van de jaren dertig en de Tweede Wereldoorlog. Flemings biografie bevat vrij veel nieuwe informatie over de anti-nazibeweging in Engeland, die niet in alleen linkse kringen aanhang had, maar zich ook verenigde rondom Winston Churchill, die in de jaren dertig nog ronddoolde “in de politieke wildernis” en de enige anti-appeaser onder de Conservatieven was.

Het upper-middleclass milieu waarin Ian Fleming in 1908 werd geboren, werd gedomineerd door grootvader Robert Fleming, een zuinige, Schotse self-made bankier die het familiefortuin van de Flemings had gevormd, en de excentrieke grootmoeder Katie, die haar jongste kleinzoon al vroeg de smaak voor mooie dingen bijbracht. Grannie Kate placht haar kleinzonen Ian en Peter (die ook schrijver zou worden) in haar Rolls-Royce mee te nemen naar Huntercombe, de plaatselijke golfbaan waar zij 's ochtends een partijtje speelde en na de lunch nog een. Hoewel grootmoeder Fleming hoofdzakelijk omging met buitenmodel mensen (en onder anderen bevriend was met koningin Mary) had zij weinig op met Ian's moeder Eve, omdat die niet voldeed aan de normen van eenvoud (!) en degelijkheid die de Flemings hun kinderen hadden bijgebracht. Eve Ste Croix Rose hoefde zich in het geheel niet voor haar familie te schamen. Haar grootvader van vaderszijde was juridisch adviseur van de eerste-minister Benjamin Disraeli geweest en haar grootvader van moederszijde een van de lijfartsen van koningin Victoria. Maar grootmoeder Fleming hield tot haar dood haar bedenkingen tegen de sociale aspiraties en het snobisme van haar schoondochter.

Lancaster

Uit Andrew Lycetts' schets van de 'altijd naar het hoogste strevende, uitzonderlijk mooie' Eve Fleming kan men zich die grootmoederlijke bezwaren wel enigszins voorstellen: kleinzoon Ian kreeg bij zijn doop niet gewoon de naam Ian, maar ook de toevoeging Lancaster om Eve's afstamming (door de Flemings in twijfel getrokken) van John of Gaunt, de Hertog van Lancaster en de vierde zoon van koning Edward III ostentatief te accentueren. En de senior-Flemings vonden ook de naam die Eve Fleming aan haar country-house in Hampstead Heath bij Londen gaf, nogal overdreven. Dat moest Pitt House heten, omdat de staatsman William Pitt daar anderhalve eeuw eerder, zij het niet op diezelfde plaats, had gewoond.

De sociale kring waarmee Evelyn Fleming zich in Hampstead Heath en in hun buitenhuis in Oxfordshire omringde was ook niet vrij van snobisme, maar grootmoeder Katie ergerde zich bovenal aan de rigiditeit waarmee haar schoondochter de loopbaan van haar jongste zoon uitzette. Ian kreeg niet alleen geen enkele zeggenschap in de keuze van zijn kostschool en van zijn universiteit, maar zijn moeder keurde ook zijn vriendinnen en plaatste zijn eerste grote buitenlandse liefde op haar 'hate-list'. Ze bereidde zelfs zijn sollicitaties voor. Bij alles wat ze met haar zoon voorhad, overheerste de ambitie dat hij niet zou onderdoen voor de prestaties van zijn in 1917 aan het front gesneuvelde vader. Deze had in Oxford in de geschiedenis geëxcelleerd en was bij de verkiezingen van 1910 tot Conservatief Lagerhuis voor Zuid-Oxfordshire gekozen.

Zo ging Ian van Eton naar Oxford en vervolgens naar de diplomatenopleiding van het Foreign Office. Dat laatste ambieerde hij helemaal niet, maar hij moest eraan geloven en eindigde in het eindexamen op de vijfentwintigste plaats, wat niet eens zo'n slechte klassering was op de tweeënzestig kandidaten, maar niet goed genoeg om voor een betrekking op het Foreign Office in aanmerking te komen. In een onbewaakt ogenblik (wat in zijn geval letterlijk opgevat kan worden) nam hij, nauwelijks vijfentwintig jaar oud, de wijk naar München om zich op de studie van de Duitse literatuur te werpen. Voor het eerst van zijn leven deed hij iets dat hij zelf had bedacht en hij deed dat met zoveel toewijding dat hij voorgoed verslingerd raakte aan het werk van Thomas Mann, Kafka, Musil, Werfel, Schnitzler en Rilke. Hij vertaalde ook een toneelstuk van Klaus Mann (die Lycett bij vergissing de broer van Thomas noemt). Ian genoot van de vrijheid die hij zichzelf had verschaft, de vrijheid om boeken te kopen, en vrienden en vriendinnen te kiezen die niet door zijn moeder waren gekozen.

Boksersneus

Bij de vrouwelijkse bevolking van de universiteit lag Fleming goed in de markt, want hij was een atleet met een indrukwekkende prestatielijst. In Eton was hij de eerste student geweest die twee maal achtereen Victor Ludorum was geworden en hij had een lichaam als een stier. Bij een voetbalwedstrijd in Oxford had hij na een botsing met Henry Douglas-Home, de broer van de latere minister-president, zijn neus gebroken. Er was een koperen beugel ingezet, maar de neus was nooit meer de oude geworden. Het koper in zijn neus zou hem een nooit meer overgaande hoofdpijn bezorgen en hem blijvend het uiterlijk geven van een bokser. Lang zou hij echter niet van zijn vrijheid genieten, want nog voor het studiejaar om was, had zijn moeder alweer een nieuwe troefkaart te voorschijn getoverd: of hij wilde of niet, Ian solliciteerde bij Sir Roderick Jones, de baas van het persbureau Reuters, een vriend uit haar netwerk van invloedrijke relaties die getrouwd was met een van haar vriendinnen.

Ian Fleming hoefde zich niet in te vechten, want het was al voor hem geregeld. Hij kon beginnen op de Londense redactie van Reuters en zijn eerste werk was het bijwerken van de levensbeschrijvingen ('obituaries') die in het redactie-archief lagen te schimmelen. De journalist Ian Fleming was geboren. De Londense collega's raakten snel onder de indruk van de omvangrijke parate kennis van de Europese literatuur die de nieuwste Reuters-redacteur etaleerde. Hij kon hele bladzijden uit De Toverberg, zijn favoriete roman van Thomas Mann, uit zijn hoofd voordragen.

De journalistiek leek een groot talent te hebben gewonnen, maar in de familie had men het niet op dat vak begrepen. Deze keer was het niet zijn moeder, die aan hem trok, maar een oom die hem probeerde te bewegen 'in de familiekring terug te keren' en zich te verbinden aan de bank die door Robert Fleming was opgericht. In zijn motivering voor Reuters gaf Ian Fleming gehoor 'aan de roepstem van de familie', maar iedereen die hem kende wist dat hij bezweken was voor de lokroep van het geld. De journalistiek was een dynamisch vak, dat hij enkele jaren met liefde had beoefend, maar de bankwereld verschafte hem betere papieren. Hij was nu een jongeman van aanzien met het daarbij behorende inkomen. Andrew Lycett laat in het midden of dat de opvatting van de jongeman zelf was of die van zijn moeder.

Liefdesaffaires

De toekomstige schrijver van de James Bond-romans zou het nog geen drie jaar bij de familiebank uithouden voordat hij tot het inzicht kwam dat hij niet voor de bankwereld geboren was. Maar hij had nu op eigen kracht zoveel geld verdiend dat hij zich een Bugatti (drie liter motor) en een kostbare boekenverzameling (van eerste drukken) kon veroorloven. Deze zouden hem au fond meer plezier verschaffen dan zijn vele liefdesaffaires, die Lycett met grote nauwkeurigheid documenteert.

De talrijke bladzijden die de biograaf aan dat aspect van Flemings leven wijdt, vormen een vermoeiend element in het boek. Net als in het literaire leven van James Bond paraderen de vele schoonheden in oplopende reeksen van pracht in deze biografie. Het gaat daarbij om zulke aantallen dat de afwisseling voor een buitenstaander niet bij te houden is (ook zijn vriend, de toneelschrijver Noël Coward, raakte ten slotte de tel kwijt). Lycett verklaart Flemings onverzadigbare behoefte aan vrouwen uit nooit verholpen defecten in zijn geestelijke ontwikkeling en door zijn aangeboren egocentrisme: door de bemoei- en regelzucht van zijn moeder had hij vrouwen (haar concurrenten) nooit als normale wezens en gelijken kunnen zien en hij had ze afgedankt zodra zijn veroveringsdrift was bevredigd.

Van zo'n op zichzelf gericht persoon zou men niet gauw politieke betrokkenheid verwachten, maar het verrassende van dit boek is dat het Fleming toont als een gedreven activist die zich inspant voor Duitse (joodse) vluchtelingen in de jaren dertig. Hij is lid van de al even activistische Left Book Club van de uitgever Gollancz en hij maakt deel uit van netwerken die Winston Churchill financieel en moreel ondersteunen in zijn eenzame strijd tegen het opkomende Duitse militarisme. Door zijn contacten met de geheime 'ondergrondse' van Churchill rolt Ian Fleming op het uur U, als de Tweede Wereldoorlog uitbreekt, in het echte geheime werk. Bij de Marine Inlichtingendienst wordt hij een leidinggevende spionagedeskundige, die zich tot het einde van de oorlog onderscheidt door grote inventiviteit en antibureaucratische eigenzinnigheid. Midden in de oorlog heeft hij al vergezichten op wat hij na de oorlog gaat doen. Hij neemt een collega apart en vertrouwt hem toe dat hij van plan is na de bevrijding naar de journalistiek terug te keren om tenslotte als schrijver in zijn onderhoud te voorzien. Hij heeft niet alleen het genre maar ook het boek al in zijn hoofd: the spynovel to end all spynovels.

In zijn uitvoerige reconstructies van de ontstaansgeschiedenis van Flemings boeken betuigt Andrew Lycett de schepper van James Bond zijn respect voor diens diepgaande research bij de politie van L.A. en in de holen van de drugsmafia, maar zijn waardering voor de literaire kwaliteiten van het werk houdt niet over. Daar is ook geen reden voor. De reusachtige verkoopcijfers van From Russia, With Love en al die andere bestsellers bezorgden Ian Fleming een lucratief schrijverschap, maar een groot schrijverschap was het niet.

    • Harry van Wijnen