Hongaars

In de boekenbijlage van 13 januari besprak Peter Michielsen Hongaarse kentering. Een politieke beschouwing over Midden-Europa. De auteur ervan, L. Marácz, noemt de theorie dat het Hongaars tot de Finoegrische taalgroep behoort een 'honderdjarige mythe', die louter bedoeld is om de Hongaren aan onaanzienlijke volkjes als de Wogoelen en de Ostjaken te koppelen en daarmee hun zelfbewustzijn te ondermijnen. Volgens Michielsen is dit een van de beweringen in het boek die niet zijn vol te houden. Inderdaad, voor mij, als linguïst en onderzoeker werkzaam op het gebied van de bovengenoemde taalgroep, is deze opvatting van Marácz weinig minder dan verbijsterend. Ik wil er vóór alles op wijzen dat de Finoegrische oorsprong van het Hongaars al sinds het midden van de 18de eeuw wetenschappelijk vaststaat. Als er sprake is van een mythe op dit gebied, dan is die mythe juist de opvatting dat er genetische verwantschap zou bestaan tussen bijvoorbeeld het Hongaars en het Turks, waar Marácz kennelijk van gecharmeerd is.

Marácz stelt dat de 'Finoegrische mythe' gebruikt wordt om het Hongaarse zelfbewustzijn te ondergraven en dat één en ander het werk is van agenten van vreemde mogendheden die ernaar streven de Hongaarse natie te vernietigen. Dergelijke beweringen worden ook wel in Hongarije zelf geuit, waar pseudo-wetenschappers en enkele extremisten regelmatig met veel aplomb verkondigen dat de theorie van de Finoegrische oorsprong van het Hongaars het produkt is van een Duits-joodse samenzwering. Deze lieden hebben, evenals Marácz, de gewoonte achter de naam van Pál Hunfalvy, een van de grondleggers van de Finoegrische taalwetenschap, tussen haakjes zijn oorspronkelijke - Duitse - familienaam (Hunsdorfer) te vermelden. Daarmee suggererend dat Hunfalvy een niet-Hongaarse en dus onvaderlandslievende en niet serieus te nemen geleerde was.

Marácz verwijt de linguïsten dat zij bij het onderzoek naar de oorsprong van het Hongaars een aantal talen buiten beschouwing laten, met name de Altaïsche (Turkse, Mongoolse en Mantsjoe-Toengoezische). Een dergelijke bewering getuigt van een schromelijk gebrek aan kennis; immers hele generaties van taalgeleerden hebben onderzoek gedaan naar de betrekkingen tussen het Hongaars en andere talen, waarbij ze nauwkeurig hebben vastgesteld welke invloed die andere talen, zoals de Turkse en de Slavische, maar ook het Duits en het Latijn, op het Hongaars hebben uitgeoefend.

Om verwantschap van talen vast te stellen, beschikken wij over een aantal tamelijk nauwkeurig gedefinieerde criteria, onder andere de door Marácz genoemde overeenkomsten op het gebied van de basiswoordenschat, alsmede de klankwetten - beschrijvingen van regelmatig optredende klankverschillen. Niet minder belangrijk zijn echter de door hem niet vermelde overeenkomsten op het gebied van de grammatica. Bij het constateren van taalverwantschap spelen uiteraard ook de zogenaamde 'gemeenschappelijke' woorden een belangrijke rol.

Het etymologische onderzoek van woorden kan in de Finoegrische taalwetenschap op een lange traditie bogen. Marácz trekt echter ook wat dit betreft de vakkennis van de Hongaarse geleerden in twijfel, want op pagina 102 van zijn boek verwijt hij hun dat zij niet op de hoogte zijn van de gemeenschappelijke oorsprong van talrijke Hongaarse woorden. Ter adstructie somt hij een aantal woorden op die volgens hem zo'n gemeenschappelijke oorsprong hebben; het betreft echter in alle gevallen woorden van verschillende herkomst en verschillende ouderdom, waarbij van een gemeenschappelijke oorsprong geen sprake kan zijn. Marácz vergist zich als hij schrijft dat in het grote etymologische woordenboek van de Hongaarse taal - kennelijk om de wetenschappelijkheid ervan in twijfel te trekken - het woord kor 'tijd' niet voorkomt. In werkelijkheid wordt het op pagina 567 van het tweede deel genoegzaam behandeld.

In het boek treft men helaas nog talrijke andere pseudo-wetenschappelijke opmerkingen van taalkundige aard aan, waarvan het wetenschappelijke gehalte gelijk staat met nul. De wijze waarop Marácz argumenteert en formuleert, is voor de linguïstisch geschoolde lezer vaak niet te volgen. Om een vergelijking te gebruiken: een oncoloog die onderzoek verricht naar de oorzaken van kanker, zal weinig kunnen beginnen met de argumenten van de wonderdokter die het universele geneesmiddel voor deze ziekte heeft 'ontdekt'.

Het spijt mij bijzonder dat de auteur van een werk, geschreven met de prijzenswaardige bedoeling het door het Hongaarse volk geleden onrecht, dat begon bij het verdrag van Trianon in 1920, onder de aandacht te brengen van hen die in gelukkiger Europese gebieden leven, onwetenschappelijke en zelfs laakbare argumenten hanteert om de publieke opinie te beïnvloeden.