Golf privatiseringen overspoelt Canada

In het uitgestrekte en dun bevolkte Canada verzorgen de staatsbedrijven van oudsher de infrastructuur en de communicatie. Geïnspireerd door ultra-liberale vrije mark-ideoloog Margaret Thatcher, verklaarde de regering van Mulroney in 1985 afstand te willen doen van staatsbedrijven die geen beleidsrol vervulden. Sindsdien zijn er niet veel privatiseringen geweest, vooral doordat Canada traditioneel minder staatsbedrijven kent dan bijvoorbeeld Frankrijk. De regering van Chrétien zet de laatste tijd echter vaart achter de uitverkoop van overheidsbedrijven.

MONTREAL, 3 FEBR. Canada privatiseert. 's Werelds op zes na grootste economie liep lange tijd nauwelijks warm voor de verkoop van haar staatsbedrijven, maar heeft inmiddels de smaak te pakken.

Vorig najaar streek de federale overheid 3,8 miljard Canadese dollar (ongeveer 4,6 miljard gulden) op voor de twee mega-privatiseringen van spoorwegbedrijf CN en olieconcern Petro Canada. Samen met de 1,5 miljard die de verkoop van Canada's nationale luchtverkeersleidingsnetwerk dit voorjaar zal opleveren, overschrijden de opbrengsten ruimschoots die van alle voorgaande privatiseringen bij elkaar.

De privatisering van Canadian National Railways (CN) eind vorig jaar was de grootste in de Canadese geschiedenis. Er ging een grondige herstructurering aan vooraf: 11.000 van de 35.500 banen werden geschrapt, het spoornetwerk werd met 4.350 kilometer ingekrompen, de Canadese regering nam 900 miljoen dollar van de schuld van CN voor haar rekening en kocht voor nog eens 500 miljoen dollar aan onnodige bezittingen op, waaronder de CN-toren in Toronto.

Bovendien beloofde het bestuur van het goederen-spoorbedrijf stug door te gaan met saneren: tot 1999 moeten nog eens duizend arbeidsplaatsen per jaar verdwijnen. Ondanks scepsis van analisten over de aantrekkelijkheid van CN voor investeerders, bracht de aandelenemissie 2,2 miljard dollar op, 200 miljoen dollar meer dan de meest optimistische raming. “Veel mensen dachten aanvankelijk: 'Wie steekt daar ooit zijn geld in?',” zegt Chris Watts, beleidsmedewerker voor privatisering bij het federale Ministerie van Financien. “Het leek op niets uit te lopen. Maar het oordeel van investeerders was dat door de manier waarop de schuld was verminderd en het personeelsbestand op orde was gebracht, CN een goede investering was geworden.”

De verkoop van CN brak de recordopbrengst van 1,8 miljard dollar van een massale aandelenemissie van Petro-Canada, twee maanden eerder. Toen deed de overheid afstand van vijftig van de zeventig procent van het olieconcern die ze nog in handen had. De overige twintig procent staat nog op het programma, naast het navigatienetwerk voor het luchtverkeer. Ook van de staatsdrukkerijen wil het federale kabinet af.

Verantwoordelijk voor de privatiseringsgolf is de liberale regering van minister-president Jean Chrétien, die in 1993 de macht overnam van de Conservatieven onder Brian Mulroney. “Het kabinet-Chrétien heeft een veel betere staat van dienst wat privatiseringen betreft dan de vorige, conservatieve regering” ,zegt David Somerville, voorzitter van het Nationale Burgers Verbond in Calgary, Alberta, en voorstander van het terugdringen van de overheid. Achteraf, oordeelt Somerville, waren Mulroney's kabinetten als het op privatiseringen aankwam “eigenlijk helemaal zo conservatief niet.”

Geïnspireerd door het Britse massale privatiseringsprogramma van Margaret Thatcher, verklaarde de regering van Mulroney al in 1985 afstand te willen doen van staatsbedrijven die geen beleidsrol vervulden. Canada was internationaal gezien een middenmoter wat staatsondernemingen betreft: de federale en provinciale overheden bezaten van oudsher relatief meer bedrijven dan in de Verenigde Staten en Japan het geval was, maar veel minder dan in bijvoorbeeld Groot-Brittannie en Frankrijk.

Staatsbedrijven waren vooral ontstaan om het enorme maar dun bevolkte Canada van infrastructurele en communicatieverbindingen te voorzien en afhankelijkheid van de Amerikanen te voorkomen. Zo werd luchtvaartmaatschappij Air Canada in 1937 gevormd om vliegverkeer te beginnen tussen Toronto en Vancouver, dat voor die tijd alleen bestond via de Verenigde Staten.

Mulroney voegde maar aarzelend de daad bij het woord. Vliegtuigbouwer Canadair werd van de hand gedaan in 1986, communicatiebedrijf Teleglobe Canada het jaar daarop. De Conservatieven gingen langzaam en voorzichtig te werk, mede omdat de publieke opinie nauwelijks tegen het toenmalig peil van staatsbezit gekant was. “Een land als Groot-Brittannie heeft haar overheid veel eerder en sneller hervormd dan Canada”, zegt Watts. “Maar je moet ook kijken naar het beginpunt. De Britse overheid bezat veel meer ondernemingen dan de Canadese. Thatcher wilde het Britse overheidsbezit ongeveer terugdringentot het niveau dat Canada in het begin van de jaren tachtig al had.”

De belangrijkste privatisering in het Mulroney-tijdperk was die van AirCanada, waarvan de aandelenemissie in 1988 en 1989 ruim 700 miljoen dollaropbracht. De prijs per aandeel is sindsdien echter gestaag gedaald van twaalf dollar tot iets meer dan vijf, en Mulroney vroeg zich af of hij investeerders onmiddellijk zou kunnen interesseren voor meer grote privatiseringen, zeker nadat de voormalige topman van Air Canada, ClaudeTaylor, in 1991 verklaarde dat de luchtvaartmaatschappij “niet zo gereed was voor privatisering als we dachten.”

Een van de belangrijkste redenen voor de grotere privatiseringsdrang die Chretien's Liberalen inmiddels aan de dag leggen in vergelijking met hun voorgangers, is de prioriteit die de huidige regering hecht aan vermindering van het federale begrotingstekort. Door de verkoop van CN en Petro-Canada ligt het kabinet voor op schema om het tekort dit jaar als voorgenomen terug te dringen van 37,5 miljard tot 32,7 miljard dollar. “Doel van de huidige regering is de overheid efficienter te maken teneinde de rijksuitgaven terug te dringen,” zegt Watts. “Er is niet genoeg geld. De vorige regering had ook met die fiscale druk te maken maar het is dit kabinet dat zich sterk maakt voor het terugdringen van het begrotingstekort. De woorden zijn hetzelfde, maar de daden verschillen.”

“Fiscale noodzaak is een grote factor”, beaamt Somerville. “De regeringstaat het haar rug tegen de muur in financieel opzicht en heeft het geld nodig.” Hij noemt het een “gemiste kans” dat er niet meer nadruk is gelegd op ideologische motieven voor het verkopen van staatsbedrijven: “Noch de conservatieve regering van Mulroney, noch de liberale regering van Chrétien heeft er een principekwestie van gemaakt zoals Margaret Thatcher heeft gedaan. Drijvende kracht was telkens het voordeel in de boekhouding.”

Voor de Canadese vakbondswereld is die motivering juist de steen des aanstoots in haar oppositie tegen de huidige privatiseringsgolf. “Deregering is niet gekozen om winst te maken, ze moet ook denken aan maatschappelijk welzijn” ,zegt Robert Chernecki, bestuursmedewerker van de CAW, vakbond voor de transportsector. Privatiseringen als die van CN leiden alleen maar tot sociale problemen. Duizenden banen verdwijnen en uiteindelijk is de bevolking de dupe. Maar het enige dat telt tegenwoordig is het begrotingstekort.” Volgens Chernecki draagt de huidige trend bij aan “de ver-Amerikanisering van Canada”.

Toch lijkt de federale strategie - privatisering als inkomstenbron - navolging te vinden op provinciaal niveau. Canada's tien deelstaten hebben relatief grote overheidssectoren wegens de zeggenschap over hun grondstoffen, stroomvoorziening en telecommunicatie. Hoewel er links en rechts het een en ander aan provinciale overheidsondernemingen is geprivatiseerd, hebben de twee grootste deelstaten, Ontario en Québec, zich nog nauwelijks aan privatisering gewaagd. Mede onder druk van hun begrotingstekorten overwegen beide nu echter de verkoop van onder meer hun enorme elektriciteitsbedrijven.

Een toekomstige verkoop in delen van Ontario Hydro, het grootste elektriciteitsbedrijf van Noord-Amerika, dat onder meer de stroomwinning van de Niagara watervallen exploiteert, zou de provinciale regering naar schatting twee miljard dollar opleveren. Een minstens zo belangrijk voordeel is volgens de bedrijfsleiding het doorbreken van het overheidsmonopolie, naar model van de deregulering van de provinciale telefoonbedrijven. “Het recht te kunnen kiezen, niet gebonden te zijn aan een leverancier, is beter voor de afnemer” ,schreef het management van Ontario Hydro eind januari in een rapport. Een speciale commissie zal de regering van Ontario in april adviseren over de toekomst van de publieke nutsgigant.

Vooralsnog loopt de federale overheid echter voorop in het terugdringen vande overheidssector. Per 1 april draagt ze het nationale luchtvaartnavigatie systeem over aan Nav Canada, een non-profit onderneming bestuurd door onder meer luchtvaartmaatschappijen, piloten en werknemersorganisaties. Zo'n 6.400 werknemers zijn met deze overdracht gemoeid en behalve een opbrengst van 1,5 miljard levert het de overheid een jaarlijkse besparing op van ruim 200 miljoen dollar aan subsidies. “Doel is de efficiency van het systeem te verbeteren,” zegt Robert Greenslade,woordvoerder van het Ministerie van Vervoer. In plaats van privatiseringspreekt hij liever van “commercialisering”.

Aan Robert Chernecki is die nuance niet besteed. “Het ziet er naar uit dat Via Rail (spoorbedrijf voor personenvervoer) hierna aan de beurt is”, zegt hij. “Ik begrijp die mentaliteit niet. Als het winstgevend is wil de overheid het niet houden en als het niet winstgevend is wil de overheid ervan af.”