Derde grote misser van OM in strijd tegen beursfraude

AMSTERDAM, 3 FEBR. De officiële reacties van de beursinstanties op de beslissing van het Amsterdamse openbaar ministerie om de top van de Borsumij Wehry niet verder te vervolgen wegens misbruik van voorkennis zijn onderkoeld. Maar onder de oppervlakte koken betrokkenen op het Damrak van woede om deze “zoveelste misser van justitie” bij de bestrijding van beursfraudes.

Nog geen week geleden werd de voormalige topman Joep van den Nieuwenhuyzen van Begemann door de Amsterdamse rechtbank vrijgesproken van de verdenking van beursfraude in de RDM-affaire. Enkele maanden tevoren werd de veroordeling van dezelfde verdachte in de HCS-voorkenniszaak door de Hoge Raad vernietigd. Met de sluiting van het dossier Borsumij Wehry op het Amsterdamse parket is de derde grote zaak rond misbruik van voorwetenschap - dat sinds 1989 strafbaar is maar nog geen enkele veroordeling kent - stukgelopen.

Op zichzelf hoeft de mededeling van justitie niet te verbazen. Verschillende experts hadden al gezegd dat het een moeilijke zaak zou worden omdat de effecten waarin werd gehandeld niet officieel aan de beurs genoteerd waren. En hoewel met dergelijke stukken net zoveel twijfelachtige winst gemaakt kan worden als officiëel genoteerden, voorziet de wetstekst daar niet in. De verbazing geldt daarom vooral de gronden waarop justitie de handdoek in de ring gooit. Geen woord over het eerder genoemde juridische dispuut, enkel: gebrek aan bewijs.

Van de affaires waar Van den Nieuwenhuyzen in verzeild raakte kon nog gezegd worden dat ze uitermate gecompliceerd waren. Maar de handelswijze van de Borsumij-bestuurders daarentegen vertoonden volgens kenners tal van klassieke voorkennistrekjes. Het eens slapende handelshuis was door topman Jan Noordam in enkele jaren tijd omgevormd tot een agressieve beursonderneming die overname na overname deed.

En met succes. De winst groeide en de koers steeg. Een groep managers wilde daarvan meeprofiteren door effecten in het eigen bedrijf te kopen. Daarbij ging het niet om gewone aandelen, maar om allerhande geavanceerde afgeleide financiële produkten van aandelen. “We vonden dat handelen gewoon hartstikke leuk,” zei Noordam later tegen deze krant. “Het bevorderde de teamgeest”.

Tijdens reguliere controles stootte de Amsterdamse effectenbeurs echter op zaken die in haar ogen niet door de beugel konden. De managers hadden in een jaar tijd meer dan vijftig keer de interne gedragsregels, de 'modelcode', overtreden. Zo deden de managers van Borsumij privé winstgevende transacties waarbij ze effecten Borsumij kochten van een tussenpersoon op de beurs. Die tussenpersoon kocht die effecten vervolgens weer in bij het pensioenfonds van Borsumij Wehry, zo constateerde de beurs. En van dat pensioenfonds waren dezelfde managers weer bestuurders.

Sommige van de vergrijpen waren zo ernstig dat er in december 1994 bij justitie aangifte werd gedaan van misbruik van voorkennis. Vooral één zaak stond daarbij centraal: Noordam en zijn 'beleggingsclub' kocht op 2 december 1993 warrants (kooprechten op aandelen) Borsumij, terwijl op 20 december bekend werd gemaakt dat het bedrijf concurrent Stokvis overnam. Op de beurs werd het nieuws met gejuich ontvangen. Binnen anderhalve maand tijd verviervoudigde de waarde van de warrants.

Daar waar de RDM-zaak vorige week stukliep op het feit dat de overname van de scheepswerf door Begemann niet als koersgevoelige informatie kon worden beschouwd, onder meer omdat de koers bij bekendmaking niet reageerde, kan over de koersgevoeligheid van de overname van Stokvis nauwelijks twijfel zijn, gezien de beursreactie naderhand.

De vraag was dus vooral of de overname van Stokvis op het moment van de transactie al in een concreet plan was gegoten. Waardoor de bestuurders die de warrants kochten dus konden bevroeden dat op basis daarvan vette winsten te behalen waren. De bestuurders zelf beweren echter dat het overnameplan pas na de transactie serieus werd.

Nu blijkt dat het verhoren van getuigen voor justitie over het moment waarop de overname van Stokvis serieus werd, niets bruikbaars heeft opgeleverd. Een reeds gepland verhoor op maandag aanstaande van oud-Stokvis directeur G. van den Brink hoefde zelfs niet meer door te gaan.

Schriftelijke bewijzen heeft justitie evenmin verkregen. Daarbij heeft “een voorname rol gespeeld dat Borsumij Wehry zich steeds op het standpunt heeft gesteld dat er nauwelijks schriftelijke verslaglegging van overleg en besluitvorming binnen de raad van bestuur of de raad van toezicht tot stand kwam.”

Kritiek op de argumenten van het openbaar ministerie om de bestuurders niet te vervolgen komt van zowel de verdediging als van kringen rond de beurs. In een reactie noemt de verdediging de argumentatie van justitie “kwatsch”. Er zijn geen stukken om de eenvoudige reden dat die overleggen helemaal niet plaatsvonden. En kringen rond de beurs zeggen op hun beurt juist dat de opspoorders van justitie hebben gefaald bij het verzamelen van feiten. Die lagen volgens hen voor het oprapen, maar aan huiszoeking werd niet gedaan.

De advocaten mr L. Spigt en mr. J. Hoff van de Borsumij-bestuurders hekelen vooral de onnodige lengte van het onderzoek en de klaarblijkelijke desinteresse van de behandelende officier mr J. Wortel die “bij geen enkele van de door de rechter-commissaris afgenomen verhoren aanwezig” was.