De onverteerbare dood van de Rosenbergs

MARJORIE GARBER en REBECCA L. WALKOWITZ (red.): Secret Agents. The Rosenberg Case, McCarthyism and Fifties America

309 blz., geïll., Routledge 1995, ƒ 40,-

Ethel Rosenberg zou nu tachtig zijn geweest, en misschien wel oma. Ze was nog maar 38 jaar oud toen zij en haar drie jaar jongere echtgenoot Julius de dood vonden op de elektrische stoel. De twee kleine kinderen die zij achterlieten, Michael en Robbie, zijn de leeftijd waarop hun ouders stierven inmiddels ruim gepasseerd, maar vechten nog steeds voor hun rehabilitatie. Nieuw onderzoek waarin wordt bevestigd dat de Rosenbergs wel degelijk betrokken waren bij spionage, mag rekenen op hun kritische reactie; Michael verzorgde twee jaar geleden een volledige editie van de brieven die zijn ouders in de gevangenis schreven; Robert noteert in Secret Agents, de kortgeleden verschenen bundel over de Rosenberg-kwestie, aangrijpende jeugdherinneringen. Zij publiceren onder de naam 'Meeropol', de naam van hun pleegouders die ze zijn blijven dragen nadat zij zich midden jaren zeventig hadden bekend gemaakt als 'de zonen van'.

Ethel en Julius Rosenberg werden in 1950 gearresteerd en in 1951 veroordeeld op beschuldiging van een samenzwering tegen de staat met het doel atoomgeheimen in handen te spelen van de Russen. Na het doodvonnis begon een langdurig gevecht om een nieuw proces en om gratie. De uitkomst bleef tot het laatst toe onzeker; diverse gratieverzoeken werden afgewezen maar de Rosenbergs werd wel toegezegd dat zij door een bekentenis hun dood konden ontlopen. Dat het vonnis in de nacht van 19 op 20 juni 1953 uiteindelijk toch werd voltrokken vernamen de kinderen via de radio.

Proces en vonnis riepen wereldwijd protesten op. In Amsterdam werd gestaakt en uit de trein van Haarlem naar Amsterdam is nog steeds op een fabrieksmuur de leuze 'Redt de Rosenbergs' te lezen. Zelfs de paus drong op gratie aan, al herinnert literatuuronderzoekster Carol Hurd Green zich in haar artikel in Secret Agents nog goed dat het op haar katholieke meisjesschool destijds zelfs de allerkleinsten wel duidelijk was dat de keuze red or dead ten gunste van het laatste diende uit te vallen.

Gedurende de vijfenveertig jaar die sinds hun arrestatie verstreken, zijn steeds weer artikelen, boeken en romans over de tragische gang van de Rosenbergs verschenen. Het mooie aan de nu uitgekomen bundel Secret Agents is dat de brede interdisciplinaire opzet ervan (er werkten juristen, historici en literatuurwetenschappers van diverse Amerikaanse universiteiten aan mee) goed duidelijk maakt hoeveel facetten van de Amerikaanse cultuur in de kwestie meespeelden. Van de joodse assimilatie en de angst van joodse organisaties om met het communisme te worden geassocieerd tot en met de schadelijkheid van uranium en de patriottische connotaties van Jell-O pudding. De Jell-O pudding was in de jaren vijftig een soort nationaal voedsel, dat bovendien het Amerikaans-joodse gezinsgevoel belichaamde. Doordat het juist een door Julius in tweeën gescheurde Jell-O-verpakking was waarmee de samenzweerders zich aan elkaar zouden hebben geïdentificeerd (die verpakking vervulde in het proces een hoofdrol), ging het publiek de beschuldigden verbinden aan een dubbele misdaad: niet alleen onvaderlandslievend maar ook onhuiselijk, en juist die combinatie werkte demoniserend.

Secret Agents heeft echter ook een teleurstellende kant. En die heeft ermee te maken dat de analyse en de afwijzing van de heksenjacht uit de McCarthy-jaren automatisch worden gekoppeld aan extreem-linkse standpunten. Het proces wordt betiteld als 'politiek terrorisme', bedoeld om links Amerika te intimideren, en bovendien als een complot dat de aandacht moest afleiden van allerlei onverkwikkelijkheden van de zijde van overheid en bedrijfsleven. Het zou dan gaan om het verdoezelen van bijvoorbeeld de gezondheidsrisico's waaraan de bevolking werd blootgesteld door atoomproeven, en de grootscheepse stiekeme samenwer-king met nazi-Duitsland door bedrijven als General Electric en Standard Oil, die tijdens de oorlogsjaren betrokken waren bij het Manhattan Project, de supergeheime fabricage van de Amerikaanse atoombom.

FBI-archieven

Maar dat er anderen niet deugden bewijst natuurlijk niet, zoals Secret Agents suggereert, dat de Rosenbergs nooit iets met spionage van doen zouden hebben gehad. Dat zij dat wel haddden, is sinds onderzoek in de relevante FBI-archieven, begin jaren tachtig, wel duidelijk. Wat overigens niet wegneemt dat de strafmaat ongehoord was en het proces twijfelachtig. De veroordeling stoelde op de getuigenis van Ethels broer en zijn vrouw, die door deze beschuldiging hun eigen huid redden, want zij waren zelf in eerste instantie aangeklaagd. Bovendien kan het materiaal waartoe het paar eventueel toegang had, anders dan destijds werd gesuggereerd, zeker niet de basis hebben gelegd voor de Russische atoombom. In 1993 nog spraken gerenommeerde juristen die op Harvard ter herdenking van de veertigste sterfdag het proces naspeelden, het paar vrij omdat het bewijsmateriaal onvoldoende werd geacht.

Interessanter echter dan die juridische kant, is de vraag in welke culturele context zo'n proces tot de doodstraf kon leiden. De Rosenbergzaak beroerde de complete Amerikaanse samenleving en behalve demonstraties tegen werden er ook optochten gehouden voor voltrekking van het vonnis. Voor zo'n historisch-sociologische kijk biedt Secret Agents, ondanks die linkse rigiditeit, tal van aanknopingspunten. Zo wijzen diverse auteurs op de betekenis van het feit dat Ethel een vrouw was. Een van de gruwelijkste details uit het Rosenbergverhaal is de manier waarop zij de dood vond. Onlangs was in een oud journaal-fragment op de BBC nog eens te zien hoe een gevangeniswoordvoerder verslag deed van haar lijdensweg. Nadat de gebruikelijke elektrische schok was toegediend en alle stroomdraden en riemen van haar lichaam waren verwijderd, ontdekten de artsen dat ze nog leefde en moest de hele procedure opnieuw, zodat ten tweede male het pluimpje rook uit haar hoofd opsteeg.

Dat er om Ethel te doden zoveel meer elektriciteit vereist was dan voor haar man (en elk ander 'normaal persoon', zoals de woordvoerder het uitdrukte), was koren op de molen van het toenmalige anticommunisme, waarin de 'natuurlijke gezinsverhoudingen' een bijzonder grote rol vervulden. Het prototype van het Amerikaanse gezin - vader kostwinner en moeder een niet-werkende apolitieke huisvrouw - moest een bolwerk vormen tegen het rode gevaar en bewees de westerse morele superioriteit. Opvattingen over de 'juiste' sekse-identiteiten maakten aldus deel uit van het Koude-Oorlogsarsenaal en de botste beledigingen werden openlijk als politiek wapen gehanteerd.

Dat zij niet voldeden aan die ideologische normen van mannelijkheid en vrouwelijkheid schaadde de Rosenbergs, zowel in de rechtszaal als daarbuiten. Hoewel er juist tegen Ethel weinig bewijs was en haar arrestatie in eerste instantie diende om Julius tot een bekentenis te pressen, werkte het feit dat zij de overtuiging van haar man deelde, in plaats van hem ervan te genezen tegen haar. Haar koelbloedigheid tijdens de verhoren werd aangevoerd als bewijs van haar onvrouwelijkheid en dus slechtheid. Ze werd, teneinde de verdorven verhoudingen te benadrukken die in communistische gezinnen zouden heersen, in vijandige media vaak afgebeeld als groter dan Julius (wat ze niet was), die op zijn beurt nogal eens 'onderworpen' werd genoemd. “De man is hier de zwakke, de vrouw heeft een sterk en recalcitrant karakter,” legde president Eisenhower zijn zoon uit in een brief over zijn voornemen tegen alle tradities in een jonge moeder te executeren.

De dood van de Rosenbergs leverde behalve boekenkasten vol politieke en juridische studies ook veel fictie op; tal van auteurs gebruikten hun geschiedenis om de sfeer van de jaren vijftig op te roepen. Zo opent Sylvia Plath' beroemde autobiografische roman over de benauwenis van die tijd, The Bell Jar, met de zin: “It was a queer sultry summer, the summer they electrocuted the Rosenbergs.” Door het gehele boek heen komt naar voren hoe het proces zelfs het leven van een groepje niet in politiek maar in mode geïnteresseerde adolescentes kleurde. “Ik ben zo blij dat ze gaan sterven,” laat Plath een collegaatje zeggen wanneer hoofdpersoon Esther Greenwood haar afgrijzen van elektrocutie bekent. De juriste Mary Ashe wijst er in Secret Agents op dat de naam van deze hoofdpersoon treffend veel weg heeft van Rosenbergs meisjesnaam Ethel Esther Greenglass, maar dat terwijl de laatste door elektrische stroom het leven laat, Greenwood het hare juist door een elektroshock-behandeling hervindt.

In de meer vijandig getoonzette fictie, vooral door mannen geschreven, werd voortgeborduurd op het thema van Ethels veronderstelde dominantie en haar - eveneens veronderstelde - seksuele gretigheid. Bovendien betwijfelden veel auteurs, net zoals dat in politieke commentaren en zelfs in de rechtszaal gebeurde, of communisten goede ouders zijn. En vooral: of een communistische vrouw een goede moeder kan zijn. Dat Ethel een uitgesproken slechte relatie had met haar eigen moeder maakte haar helemaal een smet op het imago van The American Family. Ook inzake haar ouderschap werd de aan Ethel toegeschreven kracht tegen haar gebruikt. Zo liet E.L. Doctorow in zijn over het geheel genomen sympathiserende Book of Daniel (1971), de zoon denken dat zijn vader door het vonnis in zal storten maar zijn moeder niet: “She would take it, to the last volt, in unbelievably rigid fury.”

Psychische gezondheid

Het beeld dat communisten meer van hun ideologie dan van hun kinderen houden, werd in het proces handig uitgespeeld; de Rosenbergs werden afgeschilderd als monsters die geen andere loyaliteit kenden dan aan hun stalinisme. Het is een beeld dat Robert Meeropol in Secret Agents heftig tegenspreekt. De jongste zoon, directeur van het Rosenbergfonds 'voor kinderen van politiek vervolgden',verklaart dat zijn psychische gezondheid uitstekend is, dank u, dat hij leuke produktieve kinderen heeft en een goed huwelijk met een vrouw die zijn idealen deelt, en dat zijn ouders in de magere drie jaar dat ze voor hem hebben kunnen zorgen dat dus wel goed zullen hebben gedaan, net als zijn eveneens communistische pleegouders in de jaren daarna. Bovendien was hun politieke milieu ook een steun.

Maar hoe verwerpelijk het ook is dat een rechter een doodvonnis motiveert met de redenering dat de beklaagden nu eenmaal hadden getoond dat hun toewijding aan de politiek groter was dan die aan hun eigen leven en aan het geluk van hun kinderen, feit blijft dat de Rosenbergs hun leven hadden kunnen redden en dat willens en wetens niet hebben gedaan. Sympathisanten vinden dat mooi en heldhaftig, in mijn ogen is het op zijn minst tragisch en confronteert het ons met een moreel dilemma: ten koste van wat mag men vasthouden aan de eigen 'onkreukbaarheid'? Was hun weigering te bekennen de prijs van hun leven waard? Mag je omwille van een overtuiging je kinderen tot wees maken? Volgens communisten mag dat niet alleen, het moet zelfs: pas door je bereidheid die prijs te betalen, bewijs je een goed communist te zijn.

Indirect wordt Meeropols betoog overigens meteen in Secret Agents ondergraven, want, zo blijkt hier niet voor het eerst: hij heeft alle reden om woedend te zijn op de kameraden van weleer. In het kader van de acties voor vrijlating werd in 1953 een bundel samengesteld van brieven die Ethel en Julius in de gevangenis schreven. Uit die Brieven uit het Dodenhuis, in Nederland uitgegeven door CPN-uitgeverij Pegasus, komen de Rosenbergs te voorschijn als prekers die in plaats van over hun angsten, twijfels en ongeluk,in een gezwollen taal schreven over vrede, vooruitgang, het historisch gelijk van de arbeidersklasse en de komende val van het 'Amerikaans fascisme'. (Dat gelijk overigens heeft Julius tot het laatst toe de illusie bezorgd dat het wel goed zou aflopen.) Ook indertijd al riepen die brieven bij velen meer weerstand dan meegevoel op. Het was mede door de brieven dat de antistalinistische New Yorkse intellectuelen rond de Partisan Review, wier houding jegens de Rosenbergs een van de onderwerpen is in deze bundel, zich tegen hen keerden.

Dat nu blijkt een tikje onterecht te zijn geweest. De fraaie analyse in Secret Agents door MIT-hoogleraar David Thorburn van de complete briefwisseling toont dat de Death House Letters vervalst waren (en voor de Nederlandse uitgave geldt hetzelfde). Geheel volgens het communistisch mentaal regime, waarin persoonlijke emoties zwak en reactionair heetten, schrapten de partijgenoten juist zinsneden waarin de gevangenen zich enigszins lieten gaan. Ze brachten het aantal liefdesuitingen drastisch terug en als Julius een brief begon met 'My Sweetest Precious Girl' werd dat 'Dearest Ethel'. Thorburn toont verder aan dat Ethel vanaf oktober 1952 haar man niet meer terugschreef. Hij interpreteert die stilte als een depressie, maar zoiets overkwam communisten natuurlijk niet, dus de lezers van 1953 werd dit onthouden. Terwijl zo'n inzinking Ethel mijns inziens juist menselijker zou maken, vereiste de partijmoraal dat twee jaar eenzame opsluiting als enige vrouw in de Death Row van de Sing Sing gevangenis haar strijdlust had vergroot.

Maar het was Ethel zelve die haar achterblijvende zonen troostte met frasen zoals dat op het graf van hun ouders een betere wereld zou opbloeien, en dus blijft de vraag naar de moraal van het martelaarschap zich opdringen. Het is een vraag die in Secret Agents opzichtig ontbreekt. De Rosenbergs zijn hier louter slachtoffers, die standvastig weigerden te zwichten. Vooral het stukje van Blanche Wiesen Cook, hoogleraar vrouwengeschiedenis en gerespecteerd biografe van Eleanor Roosevelt, stelt wat dat betreft teleur. Zonder dat de schrijfster ook maar aarzelt over de zin van hun slachtofferstrategie en hun ideologische koppigheid, wordt de lezer getracteerd op verontwaardiging over de 'laaghartige deal' die het paar werd aangeboden.

Bezwaarlijk is ook de neiging, zoals in het artikel van de jurist Andrew Ross, om de vervolging van islamterroristen op één lijn te stellen met de politieke intimidatie van de Koude-Oorlogsjaren. Tezamen met het aanstellerige taalgebruik van de wetenschapsrichting die zichzelf cultural studies noemt, is dat jammer van een boek dat zulke mooie verbindingen legt tussen de internationale politiek en de massacultuur van de jaren vijftig.

    • Jolande Withuis
    • Jolande Withuis is sociologe