Burgerij op de divan

PETER GAY: The Naked Heart. The Bourgeois Experience IV: Victoria to Freud

463 blz., geïll., W.W. Norton 1995, ƒ 71,15

De twintigste eeuw loopt op zijn einde, en de nabeschouwingen nemen reeds een aanvang. In sommige perspectieven lijkt de geschiedenis van ons tijdsgewricht echter te verschrompelen tot een epiloog bij de negentiende eeuw. Zo bekruipt trouwe lezer van Peter Gay's eindeloze vertelling over de belevingswereld van de burgerij, The Bourgeois Experience: Victoria to Freud, soms zelfs de vrees dat er over zijn eigen eeuw niets meer te zeggen zal zijn, zozeer voelt hij zich deelgenoot van 19de-eeuwse zorgen en vreugden.

Meer dan tien jaar geleden verscheen het eerste deel van deze reeks psycho-historische studies en inmiddels hebben kloeke delen over de hartelijke en hatelijke gevoelens van onze betovergrootouders ook het licht gezien. De vierhonderd bladzijden van het nu verschenen vierde deel dat de Amerikaanse historicus uitbrengt handelen over het 'zelf', de innerlijke wereld van de Victorianen. Daartoe onderwerpt Gay autobiografieën, geschiedschrijving, belletrie, schilderkunst en dagboeken en brieven van - vooral - grootheden maar ook van gewone stervelingen aan een geleerde zielsontleding, op zoek naar 'het burgerlijke eigen'. Die ontleding geschiedt vanuit Gay's bekende psychoanalytische perspectief, dat wil zeggen dat het woord- of beeldmateriaal de uitdrukking heet te zijn van seksuele en agressieve drijfveren.

The Naked Heart begint overigens heel onschuldig met een vermakelijke vergelijking van de concertpraktijk in de Rococojaren van Mozart, toen de uitvoeringen opgeluisterd werden met geflirt en gekrakeel zonder dat iemand zich eraan stoorde, en de opkomst van het aandachtig luisteren naar de muziek in de loop van de negentiende eeuw, een stil genieten dat tot op heden gepaard gaat met verwijten aan wie kucht of zich anderszins minder goed beheerst. Die kentering beschouwt Gay als karakteristiek voor het 'ontblote hart', een uitdrukking die Edgar Allan Poe en Charles Baudelaire gebruikten voor de etalering van het innerlijk. Daarna onderzoekt hij die interesse in het zieleleven op een aantal gebieden waar de bourgeoisie zich in de negentiende eeuw sterk maakte, zoals de politiek en de religie. Zijn conclusie is dat algemene en vormelijke overwegingen terrein verloren aan individuele sentimenten, ook al stuit hij op voorbeelden van het tegendeel. Hij vindt de weerzin van Schiller tegenover het politieke bedrijf veelzeggender dan het engagement van Byron of Victor Hugo, de bekering van John Henry Newman tot het katholicisme belangrijker dan het krachtige stempel dat de Church of England op het Britse leven drukte.

Exhibitionisme

Het verschijnsel autobiografie zou een overtuigend bewijs moeten leveren voor de preoccupatie met wat Gay ook wel 'de emotionele transparantie' noemt. Het brutale exhibitionisme van Rousseau's Confessions lijkt zijn stelling inderdaad op veiliger grond te brengen, maar door aan die bekentenissen uit bewijskracht te ontlenen, rekt hij de negentiende eeuw wel erg op. Vele Victorianen gaven bovendien de voorkeur aan de kunstig gekleurde herinneringen van Goethe, die niet voor niets Aus meinem Leben. Dichtung und Wahrheit heetten. De citaten die Gay betrekt uit de minder bekende autobiografieën van John Stuart Mill en Theodor Fontane ontroeren zeker door de inspanning die de schrijvers zich getroosten om rekenschap van hun beider moeizame verhouding met hun vader af te leggen.

Tegenover de openhartigheid waarmee velen voor pijnlijke familiesituaties of geloofscrises uitkwamen, staat echter evenveel zwijgzaamheid en vervalsing. De waarschuwing van een criticus over een biografie van de romancière George Eliot dat de lezer “niet een leven, maar drie delen terughoudendheid” in handen had, geldt voor veel van het persoonlijke en geschiedkundige materiaal dat Gay heeft opgedolven. Hans Christiaan Andersen slaagde erin uit zijn levensgeschiedenis alle sporen van ongeluk te wissen, en Ranke, de Duitse historicus waar Gay het uitvoerigst over is, joeg alle subjectiviteit de deur uit op zoek naar 'wie es gewesen'.

Niet bekend

Bij zijn bespreking van succes-nummers uit de Victoriaanse schilderkunst laat Gay zich zich een opmerking ontvallen die verduidelijkt waarom de vele expressies die tegen zijn theorie van een toenemende vertrouwelijkheid pleiten hem geen zorgen baren. Kijkend naar het 'Angelus' van Millet, het 'gebed in het veld' dat van meet af aan duizenden malen werd gereproduceerd, schrijft hij: “Kitsch was a defense against inwardness.” Wellicht vroeg de pijnlijke confrontatie met het onthutsende zelf, verbeeld in Dostojewski's Arme mensen en in de hausse van geschilderde zelfportretten, om een artistieke geruststelling, om een 'tegen-cultuur' die de consument een zelfonderzoek bespaarde. Waarmee overigens Gay's gelijk over de diepgang van het een, en de banaliteit van het ander nog niet bewezen is.

De lezer blijft tenslotte achter, onder de indruk van de rijkdom aan documentatie uit Engeland en Amerika, Frankrijk en Duitsland - ja, zelfs onze Bilderdijk spreekt nog een woordje mee. Bovendien voorkomt Gay's elegante schrijfstijl dat het lezen tot het doorploegen van een rijstebrijberg wordt. Maar op een paar belangrijke punten zijn twijfels gebleven of gaandeweg gerezen. Zo is niet duidelijk of de Romantiek alleen als opmaat voor Gay's verhaal figureert, of dat hij werkelijk deel uitmaakt van de geschiedenis van de burgerij. De begrippen Victoriaans en bourgeois worden soms door elkaar gebruikt, waardoor de negentiende eeuw zijn niet onbelangrijke proletariaat lijkt te verliezen. Maar even verder omvat het begrip Victoriaans weer een keukenmeidenromantiek die zijn voornaamste afnemers onder de lagere klassen had. Elders maakt Gay overigens aannemelijk dat het Victorianisme heel wat minder Victoriaans, preuts dus, was dan de traditie wil doen geloven.

Dat in de negentiende eeuw de belangstelling voor het innerlijk leven groeide, zouden weinigen vóór de publikatie van The Naked Heart hebben tegengesproken. Hier te lande is J.H. van den Berg de Amerikaanse historicus voorgegaan met Leven in meervoud (1963), waarin werd betoogd dat in het betreffende tijdvak het 'zelf' in de beschaafde wereld velerlei complicaties doormaakte.

Maar welke sociale groepen zich aan die bespiegeling overgaven, en met wat voor wisselende diepgang, blijft ook na lezing van Gay's boek nog steeds in het ongewisse. Gay's cultuurhistorische talent, met zijn psychoanalytische voorkeur voor huiselijke taferelen, mist uiteindelijk een sociologische evenknie om volledig te overtuigen.

    • Samuel de Lange