Boerderij met ruim uitzicht

HERBERT J. BRINKS (ed): Dutch American Voices. Letters from the United States, 1850-1930

480 blz, geïll., Cornell University Press 1995, ƒ 81,20

“Oom Willem Vogel is een van de armste Hollanders in de omgeving en hij heeft 4 ossen voor het ploegen, twee melkkoeien, twee kalveren en een zeug met jongen, plus twintig kippen en Hollandse duiven. Hij eet en drinkt even goed als de rijkste boeren van Goudriaan. Wat zegt U daarvan?” Deze trotse woorden werden geschreven in 1866, door Teunis van den Hoek aan zijn ouders in Zuid-Holland. Teunis was de tweede zoon van een kleine boer uit de Alblasserwaard, die huis en haard verliet omdat er in Holland te weinig grond was om alle zoons een gezond boerenbedrijf na te laten en er in Amerika volop land te ontginnen was.

Deze en tientallen andere brieven die Teunis en ruim twintig Nederlandse landverhuizers uit hun nieuwe woonplaatsen naar huis stuurden, zijn gebundeld in het goedverzorgde boek Dutch American Voices. Letters from the United States, 1850-1930. In de inleiding geeft de samensteller, archivaris Herbert J. Brinks, een uitgebreid verslag van de ontwikkelingen in de Nederlandse kerkgeschiedenis en van de economie in de regio's waar de emigranten vandaan kwamen. Het is een aparte gewaarwording dit alles in het Engels te lezen, maar het is dan ook een uitgave van brieven in een Amerikaans archief, dat van de 'Dutch Immigrant Letter Collection at Calvin College'.

Directe aanleiding om te emigreren waren meestal economische en financiële problemen door industrialisatie, agrarische crises, of te weinig beschikbare landbouwgrond. Religieuze twisten speelden vaak een fundamentele rol op de achtergrond. In de meeste gevallen werd de religieuze factor versterkt doordat dominee, pastoor of andere geestelijk leider een groep emigranten uit een dorp of streek begeleidde naar Amerika. De religie bepaalde vaak ook de keuze van de nederzetting. Met de geestelijk leider als hoofd van een gemeenschap, was de godsdienst het voornaamste bindmiddel. Vooral de diverse groepen protestanten bleven erg aan elkaar hangen. De katholieke en joodse Nederlanders gingen iets meer op in de bestaande Amerikaanse samenleving. Het meest tot integratie geneigd waren de stedelijke, vaak joodse emigranten.

De protestanten vormden het grootste deel van de Nederlandse emigranten (bijna 80 procent) en hun brieven, voornamelijk uit landbouwgebieden in Wisconsin, Michigan en omliggende staten, vormen dan ook de hoofdmoot van het boek. Het zijn veelal sobere schrijfsels, waarin verslag wordt gedaan van geboorte en overlijden in het gezin, nieuwtjes over bekenden van de thuisblijvers die in dezelfde Amerikaanse plaats of streek wonen en nauwkeurige beschrijvingen van de methoden en resultaten van het bedrijf. Hoeveel stuks vee heeft men, wat is de prijs van vlees, boter, granen of hout, wat voor weer was het en welke gewassen deden het op welke grond? De verslaggeving was niet alleen bedoeld om de thuisblijvers gerust te stellen of te imponeren, maar vaak ook om hun de informatie te verschaffen voor een mogelijke oversteek. Over het algemeen ging het de landverhuizers goed; zowel voor landbouwers als voor ambachtslieden en industrieel arbeiders was er doorgaans meer ruimte, meer werk en een grotere vraag naar hun arbeid en produkten. Zoons van (keuter)boeren uit Zeeland, Overijssel, Brabant en later ook Friesland konden in Amerika krijgen wat thuis nooit was gelukt: een volwaardig boerenbedrijf, vrij van welke beperking ook. Anderen konden gebruik maken van de toenemende vraag naar ambachtslieden en industrieel werkers in zich het snel ontwikkelende, moderniserende land. Verstedelijking, vroege industrialisatie en ontginning van het 'Wilde Westen' vráten arbeid, zodat de lonen hoog en de kansen bijna onbegrensd waren.

Tijdens de Amerikaanse burgeroorlog (1861-'65) en bij het naderend einde van de 'frontier' en een financieel-economische recessie rond de eeuwwisseling kwam echter de klad in de constante groei. Behalve in het verre Westen en de dorste landstreken in het midden van de VS, werd de grond schaarser en dus duurder.

Niet langer kon een migrant met bijna niets beginnen en binnen een paar jaar zoveel verdienen dat hij een eigen lapje grond zonder schulden bezat. Allerhande arbeiders in de steden kampten met relatief lagere lonen en tijdens de Eerste Wereldoorlog was het bijvoorbeeld ook enkele jaren slecht gesteld met de handel. Wie het in de 20-ste eeuw in Amerika nog wilde maken, moest wel niet meer zo hard afzien in de natuurlijke wildernis, maar des te meer een overlever en een vindingrijke ondernemer zijn. De tijd van 'strijk ergens neer, hak wat bomen om en je hebt een boerderij met goedverkopende opbrengst' was voorbij.

Vertrouwen

Wat deze bundeling van migranten-brieven bijzonder maakt is de combinatie van stugge verzuilde dorpsachtigheid en avontuurlijke ondernemingszin. De onderkoelde Friezen, Zeeuwen of Hollanders schrijven over het verlies van een kind of een oogst en besluiten na alle treurnis toch steevast met een haast onvoorstelbaar vertrouwen in die strenge gemeenschappelijke God.

Het waren stijve protestanten, benarde joodse middenstanders of handwerkslieden en verarmde katholieken die de oversteek maakten om helemaal opnieuw te beginnen in de jonge VS. Maar de meesten van hen bleven Nederlanders, gingen niet op in de 'melting pot', dat kwam vaak pas met de tweede of derde generatie. De emigranten brachten een soort klein-Nederland naar Amerika, compleet met kerkgenootschapjes en oubollig in ere gehouden symbolen zoals klomp, tulp en molen - nu nog te bezichtigen in kitsch-toeristenoord Pella, destijds de eerste Nederlandse nederzetting in Iowa. “En tot slot”, schreef Pieter Lankester in 1867, “zou ik willen vragen of jullie behalve de aardappelschilmachine ook vijftig flessen Haarlem(mer) olie op willen sturen.” Want “we betwijfelen of dat spul hier wel zuiver is.”

    • Sophie Verburgh