Zingen aan het oostfront; Omstreden biografie van Elisabeth Schwarzkopf

Alan Jefferson: Elisabeth Schwarzkopf. Uitg. Viktor Gollancz Londen, Geïll. 285 blz. Prijs ƒ 66,15

In hetzelfde weekeinde begin januari, waarin de VPRO een prachtig, aan het slot zelfs roerend, zelfportret uitzond van de sopraan Elisabeth Schwarzkopf, verschenen in de Engelse kranten de opzienbarende voorverhalen over de door Alan Jefferson geschreven biografie Elisabeth Schwarzkopf. Jefferson onthult in zijn boek dat de wereldberoemde sopraan, kort geleden 80 jaar geworden, een nazi-verleden heeft. Schwarzkopf was sinds december 1940 lid van Hitlers NSDAP, schrijft Jefferson, en hij vermeldt in de noten haar lidmaatschapsnummer: 7548960. Ze had ook een Arbeitsbuch, een 'partijwerkboek', - nr 40/1 238359, dat moest worden gedeponeerd bij de Berlijnse Opera, waar Schwarzkopf destijds als sopraan werkte.

Dat NSDAP-lidmaatschap met bijbehorende nummers is het compromitterendste feit dat Jefferson heeft opgediept uit de map 'Schwarzkopf' in het Berlin Document Center, waar zich het archief bevindt van de Reichskulturkammer. Verder beschrijft Jefferson uitvoerig de carrière van Schwarzkopf voor en tijdens de oorlog. In 1934, op 19-jarige leeftijd, bezocht ze Engeland met een beurs van de nazi-studendenvereniging en het jaar daarop was ze een enthousiast leidster van een afdeling van een nazi-studentenfederatie. Verder trad ze tijdens de oorlog op in 'Heimat'-films die werden gemaakt in opdracht van het propaganda-ministerie van Goebbels. Ook zong ze in het bezette deel van Frankrijk en in Polen en trad ze op voor troepen van de Waffen SS aan het oostfront.

De onthulling van het NSDAP-lidmaatschap van Schwarzkopf was zeer onaangenaam, niet alleen voor Schwarzkopf zelf, maar ook voor de Britse staat en de Engelse koningin Elizabeth. Schwarzkopf bezit het Engelse staatsburgerschap sinds zij in 1953 trouwde met Walter Legge, de EMI-producent die haar na de oorlog 'ontdekte' en coachte tot een sopraan met wereldfaam op het gebied van opera en liedkunst. In 1992 benoemde de Engelse koningin immers Elisabeth Schwarzkopf in haar New Years Honours List tot 'Dame Commander of the Most Excellent Order of the British Empire.'

David Mellor, de Engelse cultuurminister ten tijde van de toekenning van de onderscheiding aan Schwarzkopf, zei na de onthulling dat degenen die haar 'Dame' maakten, moeten hebben gehandeld in onwetendheid. “Als de eerste 70 pagina's toen bekend waren geweest, zou dit voornemen zijn heroverwogen.” Aan de andere kant is het weer vreemd dat Schwarzkopf pas op haar 76ste werd benoemd tot 'Dame'. Zangeressen als Joan Sutherland en Kiri Te Kanawa kregen die eer veel eerder, nog tijdens hun carrière. Ook Bernard Haitink werd al jaren geleden door Elizabeth onderscheiden voor zijn verdiensten voor het Engelse muziekleven en zou, als hij geen buitenlander was, in Engeland worden aangesproken met 'Sir'.

Enkele dagen na de krantenpublicaties kwam de in Zwitserland wonende Elisabeth Schwarzkopf met een reactie. Ze gaf toe dat ze in 1940 het partijlidmaatschap had aangevraagd om in Duitsland te kunnen doorwerken. Ze had dat gedaan op verzoek van de Berlijnse Opera en op advies van haar vader, die in 1933 gedwongen was geweest zijn leraarsbaan op te geven omdat hij geweigerd had het partijlidmaatschap aan te vragen. Dat lot wilde hij zijn dochter besparen, aldus Schwarzkopf. Maar, zegt ze, haar aanvraag werd niet geaccepteerd en ze verzekert dat ze nooit een partijlidmaatschapskaart heeft bezeten.

In de eerste minuut van haar tv-portret - de enige keer dat Schwarzkopf zich over zichzelf uitspreekt - verklaarde ze dat zij voor de oorlog door haar ouders was opgevoed in een sfeer waarin over maatschappij en politiek absoluut niet mocht worden nagedacht. Ze diende zich uitsluitend te richten op de ontwikkeling van haar muzikaal talent.

De onthulling van het NSDAP-lidmaatschap door Jefferson is opmerkelijk, maar nog merkwaardiger is het dat die nu pas wordt gedaan, meer dan vijftig jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog. De archiefmap 'Schwarzkopf' was te raadplegen voor wie dat wilde. Tot Jefferson dat deed had niemand voor hem dat gedaan. Zelfs had nog nooit iemand voor Jefferson een biografie geschreven over Schwarzkopf, onvoorstelbaar voor een zangeres met haar status.

Waarop baseerde Jefferson verder zijn boek? In het voorwoord zegt hij dat zijn Londense uitgever Viktor Gollancz aan Schwarzkopf ter gelegenheid van haar 75ste verjaardag had gevraagd om een autobiografie of medewerking aan een biografie. Maar dat weigerde ze. Jefferson, auteur van tien biografieën van componisten, zangers, dirigenten en van andere boeken over muziek, bracht in het midden van de jaren '50 eens een 'gezellige dag' door met het echtpaar Legge-Schwarzkopf. In Legge's laatste jaren ontmoette hij hem een aantal keren, terwijl er ook een levendige briefwisseling was over allerlei onderwerpen.

Walter Legge, overleden op 22 maart 1979, drie dagen na het laatste concert van Schwarzkopf, had Jefferson een maand voor zijn dood gevraagd hun correspondentie te vernietigen. Jefferson deed dat en gaat wat dat betreft af op zijn herinnering. Maar hij somt verder een lange lijst informanten en andere bronnen op. Jefferson biedt ook opmerkelijke foto's van Schwarzkopf in operettes en films. Het resultaat is een gemakkelijk leesbaar en vaak scherp gedetailleerd boek over Schwarzkopf en het Duitse en internationale muziekleven in de periode 1938-1980, met vele treffende anekdotes.

Noblesse oblige

Een van de eerste anekdotes is die over de echtgenote van de zanger Jaro Prohaska, die een gouden hakenkruis op haar hand droeg, op zijn plaats gehouden met kettinkjes. Toen de bariton Herbert Janssen vroeg naar de reden daarvoor, zei ze dat de Führer haar daar een handkus had gegeven. Janssen antwoordde: “Jammer dat hij u niet op de mond kuste!” Een van de laatste gaat over een herdenkingsbijeenkomst in Londen na de dood van Legge, wiens as na de crematie was bijgezet nabij het graf van Hugo Wolf in Wenen.

Jefferson beschrijft op malicieuze toon het vrolijke partijtje na afloop in aanwezigheid van Schwarzkopf: de enige die ontbrak was Legge zelf. Maar aan de andere kant: Legge was in het openbaar vaak heel vervelend en denigrerend tegen Schwarzkopf en Jefferson komt met een aantal voorbeelden.

Naast het voor het imago van de vereerde Schwarzkopf minder prettige feitenrelaas, zijn het die vaak nogal vooringenomen toon, de al te grote gretigheid waarmee anonieme, onverifieerbare opmerkingen worden gepresenteerd als citaten, compleet met voetnoot, en die overmaat aan suggestiviteit die het boek van Jefferson voor de muziekliefhebber maken tot hinderlijke, onaangename lectuur.

Wat men hier vaak met een gevoel van gêne leest staat vaak haaks op het beeld dat we hebben van de kunstenares. In haar liedrecitals en haar karakteriseringen van operarollen als de gravin (in Mozarts Figaro) en de Marschallin (in Strauss' Rosenkavalier) was zij immers het toonbeeld van 'noblesse oblige'. De grote kunstenares had, anders dan bij voorbeeld Maria Callas, in haar werk en privé een vlekkeloos blazoen: zij was geen grillige diva of capricieuze primadonna en werd niet in nachtclubs gesignaleerd. Schwarzkopf was de 'tüchtige' Duitse: de hardwerkende serieuze zangeres die haar leven geheel in dienst stelde van de muziekkunst.

Natuurlijk, zo denk ik als ik Jefferson lees, was Schwarzkopf in haar jonge jaren ambitieus en misschien niet de vriendelijkste collega in het Berlijnse operahuis. Maar wat zou dat? Haar grandioze carrière stelde haar wat betreft haar overweldigende talent volledig in het gelijk.

En natuurlijk was Schwarzkopf in de oorlog 'fout'. Jefferson zal, ondanks wat Schwarzkopf nu beweert, gelijk hebben met dat lidmaatschapsnummer. Schwarzkopf was fout zoals verreweg de meeste Duitsers en de musici die in Duitsland werkten: Strauss, Böhm, von Karajan, Furtwängler en talloze anderen. Maar van hen wisten we het al die tijd al, van Schwarzkopf pas nu.

Dat laatste is overigens eigenlijk helemaal niet het geval, zo lezen we ook bij Jefferson. Bij een naoorlogse zuivering in Oostenrijk kreeg Schwarzkopf na het afleggen van valse verklaringen, waarvoor haar advocaat verontschuldigingen aanbood, enige tijd een werkverbod. Het is een halve eeuw vergeten, maar wellicht juist daarom blijkt het uiteindelijk niet vergeven.