Wijers contra Melkerts 'banencircus'

Tegenover elke baan bij Fokker staat ongeveer één baan bij de Nederlandse toeleveringsbedrijven. Aangezien bij Fokker momenteel 7.900 mensen werken, gaat het Fokker-debat dus om zo'n 16.000 banen. Om deze banen in stand te houden, wilde minister Wijers (Economische Zaken) 1,3 miljard gulden naar het Duitse moederconcern DASA overmaken. Meer was niet verantwoord, vond de minister. Want behalve de Fokker-werknemers diende hij nog een andere meester: de Nederlandse belastingbetaler. Die zou niet bereid zijn de 3 miljard gulden te fourneren die DASA van de Nederlandse overheid vroeg. Hoe Wijers dat weet is de vraag. Een enquête is er niet gehouden. Dat doet er ook weinig toe.

Vreemd is dat hetzelfde argument - “ik zit er voor de Nederlandse belastingbetaler” - niet wordt gehanteerd door Wijers' collega Ad Melkert van Sociale Zaken. Toch geeft die ruim 6,5 maal zoveel uit aan zaken waarvan het maar zeer de vraag is of ze in het belang van de belastingbetaler zijn. De omgekeerde stelling valt gemakkelijker te onderbouwen: de belastingbetaler is meer gebaat met een gedurfd en visionair industrie- en technologiebeleid dan met de uitzichtloze 'kunstbanen'.

Aan banenpools, JWG-banen, experimenten met behoud van uitkeringsgelden, de Wet sociale werkvoorziening en 40.000 Melkert-banen geeft Melkert namens de Nederlandse belastingbetaler in 1996 6,2 miljard gulden uit. Dat is acht keer zoveel als de 784 miljoen die Wijers spendeert aan industrieel- en algemeen technologiebeleid en ruim het dubbele van wat DASA aan de Nederlandse overheid vroeg om Fokker in de lucht te houden. Of een overheidsinvestering van 3 miljard gulden ten behoeve van Fokker is gerechtvaardigd, daar was het kabinet het gauw over eens. Nee dus. Of de 6,2 miljard gulden voor Melkerts 'banencircus' niet efficiënter kan worden besteed, daar wordt in het Catshuis of de Trêveszaal niet eens over gepraat.

Op 25 januari publiceerde de Organisatie voor Strategisch Arbeidsmarktonderzoek (OSA) een serie Preadviezen over institutionele aspecten van de arbeidsmarkt, waarin een aantal heilige huisjes omver wordt getrapt. Er is dan ook weinig van vernomen in de Tweede Kamer, die anders om het minste of het geringste Kamervragen stelt. Prof. dr. S. van Wijnbergen van de Universiteit van Amsterdam wijst er in zijn advies op dat slechts 2 procent van de 21.000 banenpoolers (kosten in 1996: 545 miljoen gulden) na een jaar aan het werk is. Het koele commentaar van Van Wijnbergen: “Dit soort lapmiddelen leidt niet tot herintegratie in de arbeidsmarkt”. De problemen met de Jeugdwerkgarantiewet (21.000 jongeren à 360 miljoen gulden), waarbij een derde van de gegadigden thuis blijft bij gebrek aan banen, geven volgens de hoogleraar “ook te denken”. Werktijdverkorting dan? “Dat roept meer problemen op dan het oplost”, aldus Van Wijnbergen. “Een werkloze metaalarbeider heeft niets aan het korter gaan werken van een ingenieur.” Aangezien arbeidstijdverkorting in de meeste gevallen gepaard gaat met verhoging van loonkosten per uur en dikwijls met produktiviteitsverlaging als gevolg van onhandige roosters en scheduling problems, is het netto resultaat volgens de schrijver van het preadvies “zeker méér in plaats van minder werkloosheid”.

Het meest meedogenloos is Van Wijnbergen echter voor de banenplannen van Melkert. Het hoofddoel, herintegratie van werklozen, wordt niet bereikt. Het gaat dus om inefficiënt beleid. Maar daar is het hele verhaal niet mee verteld. Banenplannen kosten immers ook geld. Niet alleen wat betreft het loon, maar ook door supervisie en andere organisatiekosten. Om iemand in de sociale werkvoorziening of een Melkertbaan actief te houden is jaarlijks all in 40.000 gulden gemoeid. Het totale 'banencircus' houdt dit jaar voor 6,2 miljard gulden 190.000 werklozen van de straat. “Deze kosten”, aldus de Amsterdamse hoogleraar, “drukken via de belasting waarmee ze gefinancierd moeten worden, op de privéondernemers en dragen daarmee bij tot het vernietigen van privé-sectorbanen”. Daar komt nog bij dat er, zelfs in het best ontworpen banenplan, verdringingseffecten zullen optreden. Een door Melkert gefinancierde groenvoorziener houdt bijvoorbeeld een particuliere groenvoorziener van het werk. En dan komt de keiharde knal: “Verdringing plus financieringslast bij elkaar geven aan dat banenplannen meer werk vernietigen dan creëren”.

De vernietigde banen, aldus Van Wijnbergen, “zijn in de meeste gevallen permanente privé-sectorbanen, die via banenplannen in feite omgeruild worden voor dikwijls tijdelijke, dead-end-job overheidsbanen. Niet alleen gaat waarschijnlijk de werkgelegenheid omlaag ten gevolge van banenplannen, de kwaliteit van de werkgelegenheid daalt er ook door”. Dit is geen pleidooi om de 6,2 miljard dan maar in een overlevingsplan voor Fokker te investeren. Het gaat hier om het meten met twee maten. Krenterig zijn met overheidsgeld als het gaat om het op de been houden van technologisch hoogwaardige banen en vrijgevig zijn als het gaat om uitzichtloze 'dead-end-jobs'.

Of Nederland nu wel of niet een industriebeleid moet hebben, daarover voeren deskundigen al meer dan vijftien jaar een intensief debat. Steeds weer duiken dan dezelfde namen op: A. van der Zwan, A. van der Hek, A. Wassenberg, H. Schenk. Ook dr. G.J. Wijers schreef er in 1982 een boek over. Tot nu toe bleef het bij woorden. Wijers heeft nu een uitgelezen kans om als afgezant van de Nederlandse belastingbetalers ook eens een daad te stellen.

    • Frank van Empel