Vrijdag 2; Concurrentie

Het leven is hard. Nog maar een paar weken geleden schonk het International Documentary Film Festival (IDFA) in Amsterdam zijn grote prijs, de Joris Ivens Award, aan de Franse filmer Raymond Depardon, of deze zendt het vervolg op zijn bekroonde meesterwerk Délits flagrants, Muriel, in ter vertoning bij de concurrentie, het International Film Festival Rotterdam. De reden daarvoor is niet ver te zoeken: van Joris Ivens heeft Depardon slechts vagelijk gehoord, van het IDFA zelden. 'Rotterdam' daarentegen is een festival met veel meer internationale renommee, waarheen Depardon - en hij niet alleen - graag zijn films zendt.

Aan Muriel was voor het IDFA niet veel verloren. Maar de rivaliteit tussen het kleine Amsterdamse festival en de 'grote broer' in Rotterdam kreeg deze week een geheel andere dimensie met de vertoning van Out of the present van Andrei Ujica. Deze film over Russische kosmonauten - lichtelijk overspannen wel omschreven als de Russische pendant van Apollo 13 - vormt ontegenzeggelijk een van de hoogtepunten in een goed, rustig voortkabbelend festival.

Een goed idee dus van Emile Fallaux, directeur in Rotterdam, om de film kracht bij te zetten door het uitnodigen van een heuse Russische kosmonaut, zodat Out of the present niet ten onder gaat in de meer dan 200 films in Rotterdam. Het succes is ook loon naar werken voor Fallaux, die Ujica twee jaar geleden ontdekte met zijn Videogramme einer Revolution, die destijds echter grotendeels onopgemerkt bleef. Maar wel zuur voor het 'kleine zusje' IDFA natuurlijk, dat naar verluidt Out of the present graag had vertoond.

Het schuurt een beetje tussen broer en zusje, en niet voor het eerst. In het verleden hebben er wel eens informele afspraken bestaan tussen IDFA en Rotterdam, waarbij bijvoorbeeld was afgesproken dat Rotterdam zich tot documentaires zou beperken waarin films en filmers centraal staan, terwijl IDFA zich daar verre van zou houden. Die afspraken zijn ver heen: het wemelde op het IDFA de afgelopen twee jaar van documentaires die met de cinema verband houden, terwijl Rotterdam vorig jaar de première had van de belangrijkste Nederlandse documentaire sinds jaren, Moeder Dao.

Betreurenswaardig is dit alles wel, temeer daar de kleinste van de twee festivals, het in enkele jaren met groot enthousiasme uit de grond gestampte IDFA, van de twee toch financieel en publicitair wat brozer is, en wel enige consideratie kan gebruiken. Aan de andere kant zou het geen goed idee zijn, de van kliekjes en ruzietjes aan elkaar hangende Nederlandse filmwereld nu nog met meer kartelafspraken of machtsstrijd te gaan verrijken.

Concurrentie is een schone zaak. Al jaren wordt er betoogd dat het festival in Rotterdam zich te weinig bezig houdt met het in historisch perspectief plaatsen van films, primair gericht als het is op het uitbrengen van het nieuwste op het gebied van de kunstzinnige speelfilm. En in het filmbedrijf lijkt de scheiding tussen documentaire en speelfilm steeds minder op te gaan, nu in meer en meer documentaires gespeelde fragmenten opduiken. Er zijn, kortom, voor het Amsterdamse festival heel wat mogelijkheden, zich wat meer in Rotterdams vaarwater te gaan bewegen.