Veldrijden van een provinciale bezigheid tot professionele sport

Zondag wordt in Montreuil, een voorstad van Parijs, het wereldkampioenschap veldrijden verreden. De slijkduivels voelen zich van oudsher een beetje ondergewaardeerd.

ROTTERDAM, 2 FEBR. Rul zand, besmeurde gezichten, verkrampte spieren en na afloop een stevig dialect. De vooroordelen komen aardig overeen met de werkelijkheid. Maar tussen de spaken schuilen de geheimen van koersinzicht, stuurmanskunst, materiaalkennis en acceleratievermogen. Veldrijden is meer dan een uur door de bagger ploegen.

Een gelouterde crosser traint gemiddeld twintig uur per week en verdient de laatste jaren een behoorlijk inkomen. Met de invoering van het wereldbekerklassement en de wedstrijden om de Super Prestige is het provinciale karakter veranderd in een professionele bezigheid. De coureurs rijden tegenwoordig in grote delen van Europa: Tsjechië, Polen, België, Frankrijk, Zwitserland, Italië, Nederland. Alleen in de wielernatie Spanje genieten de crossers weinig bekendheid.

De coureurs rijden zondag in Parijs rondjes van ongeveer drie kilometer, waarbij de hartslag aan het einde steeds verder oploopt. “Een uur lang jezelf binnenstebuiten rijden, dat is maar weinig renners gegeven”, sprak Erik Breukink nadat hij zonder al te veel succes een veldrit had voltooid. Richard Groenendaal, kanshebber in Montreuil: “Renners die een beetje kunnen hardlopen denken dat ze goed kunnen crossen. Mooi niet dus.”

Een veldrit valt in fysiek opzicht te vergelijken met een beklimming van de Alpe d'Huez, vertelde Antoine Vayer deze week tegen het Franse sportkrant l'Equipe. Vayer is coach van de Festina-ploeg die overmorgen in Montreuil een aantal kanshebbers aan de start brengt. De Fransen kunnen een opvallende traditie in ere houden. De laatste twee edities was het een thuisrijder die de regenboogtrui in ontvangst mocht nemen. De eigen modder rijdt blijkbaar toch het prettigste.

Bondscoach Martin van Dijk vertelt over de “lastige bandenkeuze” die een renner voor de start moet maken. De breedte varieert van 26 tot 34 millimeter. Hoe modderiger de ondergrond, hoe dikker de banden. Een dunnere band snijdt als het ware door het wegdek en levert bij droog weer meer snelheid op. “Daarom kiest de doorgewinterde veldrijder voor smalle banden”, zegt Van Dijk. “Een paar jaar geleden ging de tendens de andere kant uit, maar daar komen de renners weer van terug. Veldrijden is wat anders dan mountainbiken.”

De vergelijking met de ATB-discipline wordt wel vaker gemaakt. Het verschil tussen een duursport en een behendigheidssport. Mountainbikers rijden drie uur achter elkaar, veldrijders ongeveer zestig minuten. “Ik word van allebei even moe”, zegt ATB-wereldkampioen Bart Brentjens. Hij beschouwt het rijden op de orthodoxe racefiets als nuttige training voor het mountainbiken. Brentjens komt bij een veldrit explosiviteit tekort om zich met de besten te meten.

Nog steeds trainen de veldrijders veelvuldig op het asfalt. “Anders gaat de souplesse achteruit”, weet Van Dijk. “Een keer in de week in het veld is meer dan genoeg. De basis van het succes blijft de snelheid. Wat niet wil zeggen dat een goede sprinter per definitie een goede veldrijder kan worden.”

Het parcours in het stadspark van Montreuil lijkt minder zwaar dan de locatie van vorig jaar in het Zwitserse Eschenbach, waar de beklimmingen en afdalingen veel favorieten uit balans brachten. Bondscoach Martin van Dijk vertoeft al enige dagen in de buurt van Parijs. Hij is tevreden over de locatie. “Er is relatief veel asfalt en grint en een aardige strook gras. Een snel parcours zou je zeggen. Maar alles hangt af van de temperatuur. Als het blijft dooien krijg je een bevroren ondergrond met een kleverige toplaag. Als het gaat regenen - en dat is voorspeld - wordt het een ander verhaal. Dan moet je het materiaal gaan aanpassen. Anticiperen is een van de belangrijkste aspecten van het veldrijden.”

Van Groenendaal is bekend dat hij voor de start uitvoerig het parcours verkent. Elke steen, elke boomstronk heeft hij op zijn netvlies staan. De kleine Brabander is een veelzijdige coureur. Op elke ondergrond kan hij uit de voeten. Door zijn korte benen loopt hij liever zo min mogelijk. Dan is hij in het nadeel tegen langere coureurs als Adri van der Poel. Groenendaal heeft weer het voordeel van zijn kleinere fiets, waarmee hij behendiger kan manoeuvreren.

Volgens Van Dijk bestaat er geen ideaal lichaam voor een veldrijder, maar een zogenaamde geblokte renner maakt weinig kans op het geaccidenteerde terrein. “Blijlevens heeft niet het postuur voor een crosser, die komt geen heuvel op. Voor mij heeft het dan ook geen zin naar een waaierklassieker te kijken. Al die turbodijen van die jongens, daar heb ik als bondscoach niks aan.”

    • Jaap Bloembergen