Vastgepind door twee kostbare bomen; De waardige uitbreiding van het Teylers Museum in Haarlem

Het Teylers Museum in Haarlem heeft altijd bekend gestaan om zijn intieme sfeer. Inwoners van Haarlem protesteerden tegen uitbreidingsplannen, omdat ze bang waren dat 'Teylers' zijn karakter zou verliezen. Dat schrikbeeld is nu door architect Hubert-Jan Henket de das omgedaan. “Wie er niet tegenop ziet enige tijd op vervuilde grond te vertoeven, kan hier van een bijzonder architectuurhistorisch panorama genieten.”

Het huis is een kleine stad en de stad is een groot huis, heeft Leon Battista Alberti al in de vijftiende eeuw vastgesteld. Zeker voor de binnenstad van Haarlem lijkt dit een toepasselijke observatie. Middenin dat grote huis loopt een muur die radicaal twee kamers gescheiden houdt, of liever gezegd, twee werelden.

De muur langs de Nauwe Appelaarsteeg loopt niet helemaal recht en draagt verse cementvoegen tussen de oude, schoongemaakte bakstenen. Op de afgeschuinde bovenkant is een ijzeren hek gemonteerd waarvan de spijlen uitlopen in scherpe, naar voren gebogen punten. Het strakke, agressieve traliewerk ziet er gloednieuw uit. De zichtbaar recent opgetrokken muur hoort nog het meeste thuis bij een gevangeniscomplex uit de negentiende eeuw, maar dient om het domein af te schermen van het oudste (1784) openbare museum van ons land, het Teylers Museum.

Voor het historische achttiende- en negentiende eeuwse gebouw heeft architect Hubert-Jan Henket een nieuwe uitbreiding ontworpen en die is, wat je noemt, een aanwinst geworden. De ontwerper maakt er geen geheim van hoe je het fundament voor zo'n aanwinst legt. Allereerst verdiepte hij zich in de geschiedenis, de cultuur, de context en de schaal van het bestaande gebouw. Voordat hij een potlood op papier zette voor Teylers' toevoeging, dwaalde hij eindeloos door het oude museum, door de ronde hal, de Ovale Zaal, de gelukkig nooit aan de tijd aangepaste gehoorzaal met stoelen waarvan de zittingen gevuld zijn met paardenhaar. En hij dwaalde door de bibliotheek die de bezoeker van top tot teen omgeeft, als wandelt hij door het ideaal van zijn eigen boekenkast. Zo ontstonden de ideeën voor het karakter en de fysieke aard van de aanwinst. Daarna, terwijl het monument naar letter en geest gerespecteerd blijft, werd zorgvuldig uitgekiend hoe de gevraagde bestemmingen en programma's in de toekomstige aanwinst konden worden ondergebracht.

Men zal toegeven dat Henket ter voorbereiding van zijn architectonisch werkstuk de juiste weg heeft gevolgd. Een logische vorm van samenhangende monumentenzorg met als doel waardige, kostbare oudbouw met mooie, intelligente nieuwbouw gelukkig te maken, en omgekeerd.

De kamer aan de andere kant van de muur is grotendeels leeg. Bijna drie eeuwen lang, vanaf 1703, was hier de Grafische Inrichting Joh. Enschedé gehuisvest in een wonderlijk conglomoraat van oudhollandse en industriële bouwwerken. In de schaduw van de Grote of St. Bavokerk koesterden de drukkers hier gedurende anderhalve eeuw onze bankbiljetten en onze postzegels. Behalve de huizenrij en de vierkante Klokhuistoren aan het Klokhuisplein die op de monumentenlijst staan, viel het 'Enschedé-complex' vier jaar geleden onder de slopershamer. De historische onderneming die in hoge mate het karakter van Haarlem - de geboorteplaats van Laurens Janszoon Coster - als centrum van drukkers, uitgevers en boekhandelaren heeft bevestigd, verhuisde naar de Waarderpolder, een plek buiten de stad, buiten het grote huis.

Met afgebladderde binnenmuren en doorgezaagde zolderverdiepingen als schilderachtig decor is de kaalgeslagen vlakte nu in gebruik als parkeerterrein. Ongezonde stoffen, afkomstig van eeuwenlang uitgelekte inkt, wegsijpelende verf en gemorste smeerolie schijnen de grond onder de ruw geëgaliseerde oppervlakte danig te hebben vervuild. Hoewel de verontreiniging onzichtbaar is en vooral bestaat dankzij de wetenschap dat verwijdering vele miljoenen kost, gaat een mens over zulke grond toch voorzichtiger lopen.

Door de afbraak van het Enschedé-complex is een vrij uitzicht ontstaan op de achterkant van het Teylers Museum, dat wil zeggen op het deel dat boven de nieuw-oude muur uitsteekt. Wie er niet tegenop ziet enige tijd op vervuilde grond te vertoeven, kan hier van een bijzonder architectuurhistorisch panorama genieten. Van de aaneengesloten rij bouwwerken markeert elk afzonderlijk exemplaar een fase in de groei van het museum. De grootste belevenis is de dakpartij boven de Ovale Zaal, het magische hart waarmee de geschiedenis van het museum begon. De constructie bestaat uit een kinderlijke stapeling van vormen en materialen. Eerst een terugliggende strook met goudgele glas-in-lood ramen van de binnenkoepel, dan, als een tent eroverheen, een schuintoelopend kapeldak met op de nok een grove sokkel voor een sterrenwachtobservatorium. Een groot woord voor een vierkant, volmaakt symmetrisch, witgeschilderd huisje waarop je een torenspits zou verwachten.

Liefhebberyzaal

Zoals zoveel vermogende burgers in de tijd van de Verlichting besteedde de doopsgezinde textielhandelaar Pieter Teyler van der Hulst (1702-1778) een deel van zijn geld aan armenzorg, cultuur en wetenschap. Zijn nalatenschap bestond uit een bibliotheek om van te watertanden en collecties munten, tekeningen, fossielen en mineralen en een unieke verzameling natuurwetenschappelijke instrumenten. In 1784 werd het pronkstuk van de verzameling toegevoegd, de grote electriseermachine van Martinus van Marum, voor 3250 gulden gebouwd door de Amsterdamse instrumentmaker Cuthbertson. De Stichting die na Teylers dood de kostbaarheden beheerde, besloot tot de bouw van een 'boek- en liefhebberyzaal'. Met dit doel ontwierp de Amsterdamse architect en steenhouwer Leendert Viervant een door zijn ovaalvorm opzienbarende museumzaal die in 1784 voor het publiek werd opengesteld. Voor de inrichting van de zaal werden aparte rekwisieten, kastjes en onderstellen ontworpen die er gelukkig nog allemaal zijn. De wonderlijke premietkasten voor gesteenten en fossielen, piramide-vormige vitrines met een bol op hun punt, zijn de fameuze koffiekan van Aldo Rossi voorgegaan.

Haaks op het stenen omhulsel van de Ovale Zaal staan twee rechthoekige, gesloten tentoonstellingszalen met bovenlicht, die in de loop van de negentiende eeuw werden aangebouwd om het groeiende schilderijenbezit te kunnen laten zien. Een architectuurprijsvraag in 1877 lag ten grondslag aan de volgende, meest rigoureuze uitbreiding, waar het Teylers Museum de doorbraak naar het Spaarne en de herkenbare kruisvormige plattegrond aan te danken heeft. De toegang moest natuurlijk pontificaal aan het water komen en de Weense architect Christian Ulrich won de internationale competitie voor het nieuwe entreegebouw. Zijn uitbundig staaltje Weens classicisme met een Romeinse triomfboog als grondvorm viel nogal uit de toon in de bescheiden zeventiende- en achttiende eeuwse gevelwand aan het Spaarne. Vooral de schaal van de façade - drie percelen breed - ontmoette kritiek en zelfs nu wij ruim een eeuw lang de tijd hebben gehad om er aan te wennen, maakt het rijk vesierde front van het Teylers Museum nog steeds een aangename, uit de bocht gevlogen indruk.

Telefoon

Terug naar het parkeerterrein op de vieze bodem van de drukkersfirma. Een glanzende, donkerblauwe Porsche heeft na vele, lange minuten, de motor die tegen de kou brulde, afgezet. Met open portier zit de potige berijder toonloos in een draagbare telefoon te mompelen. Onder de klanken van deze litanie wordt de wandeling langs Teylers' historische groei aan de hand van haar achterkant voortgezet. Na de Ovale Zaal uit de achttiende eeuw en de dubbele bovenlicht-vleugel uit de negentiende, openbaart de bouwkunst van de twintigste eeuw zich in twee afzonderlijke delen. Omdat de bouwsels in leeftijd bijna een halve eeuw uit elkaar liggen, behoren zij tot een ander architectuurtijdperk. Het kordate hoekgebouw 'Zegelwaarden' maakte vroeger deel uit van het Enschedé-complex maar is om meer dan één reden aan vernietiging ontkomen. In constructief opzicht is het een oerdegelijk gebouw. En uiterlijk behoort deze creatie van ir.C. Wegener Sleeswijk uit 1951 tot de schaarse, werkelijk mooie voorbeelden van het functionalisme uit de jaren vijftig. Het gebouw is nuchter en zelfverzekerd en vooral de vier horizontale stroken met de net niet aaneengesloten, vierkante ramen en het minimaal hellende zadeldak geven dit bedrijfsgebouw een optimistisch karakter. Zegelwaarden staat aan de veilige kant van de Appelaarsteeg, aan de museumkant. Het Teylers Museum heeft het monument in 1989 overgenomen om er het facilitair bedrijf in onder te brengen, depots, restauratie-ateliers, werkplaatsen, kantoren voor museummedewerkers en een studiezaal.

Het laatste gat aan de achterkant van Teylers wordt sinds kort gedicht door een transparant paviljoen met een grote luifel, rustend op drie slanke kolommen. Met de materialen glas, staal en hout hoort deze grijs getinte, ijle vleugel onmiskenbaar thuis in de jaren negentig en even onmiskenbaar in het gestaag groeiende oeuvre van architect Hubert-Jan Henket. Uitgerekend deze uitloop van zijn museumuitbreiding beschouwt hij als het minst geslaagde gedeelte. De constructie van de naastgelegen, negentiende-eeuwse zaal verhinderde dat het overstek ook aan de zijkant een royale maat kon krijgen. Het is de vraag of je het ziet als je het niet weet. Maar nadat de architect persoonlijk zijn tekortkoming heeft bekend, maakt het paviljoen op deze hoek inderdaad een krampachtige, afgeknipte indruk. Dat is des te pijnlijker omdat de Henket-uitbreiding zich uitsluitend met dit vleugeltipje aan de wereld buiten het Teylers Museum vertoont.

Na nog een vergroting in 1893 duurde het een eeuw voordat een volgende substantiële museumuitbreiding aan bod kwam. Dat gebeurde weer met een ontwerpwedstrijd. Begin 1990 verscheen in de architectuurpers de uitdagende oproep om voor het oudste openbare museum van Nederland nieuwe ruimten te ontwerpen voor een zaal voor wisselexposities, een prentenkabinet, een educatieve ruimte, een boekenkabinet en het onvermijdelijke museumcafé. Uit bijna honderdzeventig plannen werd het ontwerp van Hubert-Jan Henket gekozen. Het gebouwde resultaat zal 1 maart aanstaande met een tentoonstelling van schilderijen, tekeningen en aquarellen van Giorgio Morandi worden geopend.

De keuze om met deze kunstenaar de serene nieuwe zaal in te wijden, had niet doeltreffender kunnen zijn. Morandi's stillevens worden evenzeer beheerst door helderheid, transparantie en stilte als het ruimtelijke werkstuk van Henket. Flessen, kannen, vazen en potjes, dicht tegen elkaar aangeschoven, vormen op zijn schilderijen een poëtische, zwijgend gezelschap dat, net zo tijdloos, ook in het wetenschappelijk laboratorium is te vinden. Wat altijd van Morandi wordt gezegd, en de waarheid is, klinkt in dit museum evenmin toevallig, dat hij een diepgaand onderzoek doet naar vorm, licht en kleur en hun onderlinge relaties.

Inwoners van Haarlem protesteerden aanvankelijk tegen de uitbreidingsplannen van het museum. Zij waren bang dat 'hun' Teylers het intieme karakter zou verliezen. Dat schrikbeeld is door Henkets ingreep op een onnavolgbare manier de das omgedaan. Met de twee haaks op elkaar staande paviljoens - een gesloten expositiezaal en de ander doorzichtig voor het café - en de nodige nieuwe loopruimte eromheen is het museum heel veel groter geworden, maar dat is niet ten koste gegaan van de intimiteit. Integendeel, Henket heeft met de toegevoegde ruimten ook de intimiteit uitgebreid.

Vastgepind door twee kostbare bomen, een honderdvijftig jaar oude wilde kastanje en een even oude beuk in de door L.P. Zocher ontworpen binnentuin, is de nieuwe vleugel ook verder volkomen ondergeschikt gemaakt aan de schaal en de culturele dimensie van het eeuwenoude museumgebouw. Toch is de toevoeging in alle opzichten van deze tijd. Fysiek en visueel los van het oude, stenen gebouw, liggen de twee paviljoens neergevleid in de onregelmatige tuin. Zoals het paviljoens betaamt, staan zij niet plat op de grond, maar zweven een beetje, op blonde, houten vlonders waar de klimop vanuit de tuin naartoe zal kruipen. De hoop bestaat dat het groen zich straks in de grijze glaspanelen van de nieuwe zaal zal weerspiegelen. Vlak voor de buitengevels, ondersteunen elegante kolommen een regiment houten liggers die, op hun beurt, de platte luifeldaken dragen. Behalve in de raamloze expositiezaal, wordt het beeld overal beheerst door matgrijze kolommen, glas en blank gelakt hout, zonder ooit een modieuze, high-tech videoclip te worden. De intimiteit, die de vrienden van het Teylers Museum al zagen vervliegen, heeft Henket bereikt door voortdurend de menselijke maat in het oog te houden en er voor te zorgen dat overal iets te zien valt: de sierlijke aansluiting van een houten kolom op een tegelvloer, het plotselinge uitzicht op de sterrenwacht door een glasstrook in het plafond, een zinken dakhoek die in combinatie met blank hout ineens verandert in een fragment van een Japanse tempel.

De Teylers-geest waart ook rond in de nieuwbouw doordat de verfijning van de details hetzelfde niveau heeft als de afwerking van de 'physische instrumenten en modellen van nuttige werktuigen' die in het museum zijn te zien. De perfectie waarmee in de negentiende eeuw een houten handgreep, een stuurwiel of een koperen verbindingsstuk werd vervaardigd, is bijvoorbeeld terug te vinden in de open staanders van op elkaar gelijmd en geperst hout in een van de glazen verbindingsgangen. Zo is de architectuur van Henket doordrongen van de aanstekelijke kunst van het instrumentmaken. Een kunst die ook vroegere gebouwen van zijn hand siert, het grotendeels houten Gewestelijk arbeidsbureau in Veghel (1987), het Museumpaviljoen Boymans-van Beuningen (1991), het Gemeentehuis van Wehl (1993) en de renovatie van het Singer Museum in Laren (1995).

Aanwinst

Hoe is het intussen met het parkeerterrein gesteld? Sinds ongeveer drie jaar wordt met plannen voor het voormalige Enschedé-terrein de historische binnenstad van Haarlem met grove nieuwbouw bedreigd. Over de opmars van 'De Appelaar', zoals het controversiële bouwproject is gaan heten, zijn problemen omdat de gemeente Haarlem de omvang van het voormalige Enschedé-terrein heeft overschat. Wie nu de parkeerplaats en de randgebieden eromheen overziet, kan nauwelijks geloven dat hier een volwassen stadsdeel moet verrijzen. Een reusachtige rechtbank, een schouwburg, een hotel, kantoorgebouwen en ook nog een plein zijn gezamenlijk als 'aanwinst' voor de historische binnenstad bedoeld. Langzaam maar zeker is er de laatste tijd wat van De Appelaar afgeknabbeld. Het hotel schijnt nagenoeg uit het plan te zijn verdwenen. De volgende twijfel geldt de nieuwe schouwburg, gedacht in de tuin van het bestaande concertgebouw, met een toneeltoren die als een reusachtige (24 meter hoog) blinde dakcontainer veel dood en verderf in de kwetsbare historische stad zal zaaien. Terecht houden verstandige Haarlemmers vol dat op het Wilsonsplein een goede, mooie schouwburg staat (J.A.G. van der Steur, 1918) die alleen maar hoeft te worden opgeknapt. Dan is er het kolossale rechtbankgebouw (150 meter lang, bijna 25 meter hoog) dat langs de Nauwe Appelaarsteeg terecht moet komen en de achterkant van het Teylers Museum visueel zal verpletteren, inclusief de Ovale Zaal (en de muur). En gezien naar de andere kant, zal dezelfde onmatige rechtbank, het uitzicht op de Bavokerk uit vele richtingen belemmeren.

In deze vorm zal De Appelaar de historische binnenstad van Haarlem grondig en onherstelbaar bederven, daarover is iedereen het eens aan de museumkant van de muur. Van het parkeerterrein blijven hardnekkig andere geluiden opstijgen. Daar wordt beweerd, door raadsleden onder andere, dat de 'continuïteit van het proces' niet in gevaar mag komen, 'anders dreigen er schadeclaims'. Het is de vraag waarmee de historische binnenstad van Haarlem meer is gediend, met de continuïteit van dit proces, of met de continuïteit van de geschiedenis. De uitbreiding van het Teylers Museum geeft het klinkende antwoord.

    • Max van Rooy