Seizoenen

Deze week ben ik gaan kijken hoe de winter eruit ziet. In sommige bevroren grachten hebben de boten een kanaaltje gevaren.

Nooit geweten dat je op het ijs naast dat open water rustig kunt schaatsen. Sommige waaghalzen schieten met opzet vlak langs een schip. De dijk tussen Durgerdam en Broek in Waterland is door een witte wal aan het oog onttrokken. De wind moet er pal op hebben gestaan en zo ontstond er een dikke korst met luifels in allerlei vormen, alsof de wind met bevroren handen de sneeuw heeft geboetseerd.

Bij de erwtensoep in het cafeetje aan de dijk haal ik een zakje tevoorschijn. Het komt uit het Karl Valentin Museum in München en wat erin zit is eens door de komiek van die naam ontworpen. Het is een wintertandestoker die, zo zegt de tekst op de verpakking, “door de deftigste heren wordt gebruikt”.

Valentin heeft aan de tandestoker een witte pluim vastgemaakt. Als je het ding beetpakt is het werkelijk of het alleen in de winter kan worden gebruikt, zo mooi past het bij het bevroren IJ dat maar één extra letter nodig heeft om te worden wat het zonder een woord al zo schitterend is.

De pluim steekt prachtig af bij het groen van de soep. Is het mogelijk om op de door Valentin ingeslagen weg verder te gaan? Dan zou de tandestoker er in ieder seizoen anders uitzien. In de lente schenkt de komiek hem een viooltje, in de zomer een korenaar en in de herfst is hij natuurlijk met een roodgeel blad gesierd.

En waarom zouden we de jaargetijden alleen aan een tandestoker mogen aflezen? Misschien dat het spel der seizoenen aan alle grote en kleine dingen van stad en land zichtbaar kan worden gemaakt. Een torenspits draagt een ijsmuts, uit een met aarde gevulde vingerhoed schieten een paar madeliefjes, lepels en vorken zijn lichtbruin van de brandende zon en in die handige seizoen-winkel koop je een fles die met herfstwind is gevuld. Ik ren het café uit en loop veel langzamer terug. Het wit glijdt uit m'n versteende handen en even later smelten de brokken sneeuwijs in de dampende snert.