Schaatscoaches krijgen extra taak als missionaris

Bij het WK schaatsen strijden slechts een paar landen om de medailles. ISU-hoofdbestuurslid Jan Dijkema vertelt over de pogingen die de ISU doet om de schaatssport een internationaler karakter te geven.

INZELL, 2 FEBR. Coaches die als schaatsmissionarissen ontwikkelingswerk gaan verrichten. Dat is een van de plannen die de International Skating Union (ISU) momenteel uitbroedt om het langebaanschaatsen van nieuwe impulsen te voorzien. De ISU wil gebruik maken van dezelfde rijke financiële bron als het profvoetbal.

De internationale tv-stations betalen vele miljoenen voor de uitzendkosten bij het kunstrijden. Een deel van de inkomsten zal worden aangewend voor de ontwikkeling van het langebaanschaatsen. Dit weekeinde zijn de ISU-bestuursleden in Inzell bijeen om over de budgetten van gedachten te wisselen. Op een congres in juni in Israel, het jongste lid van de ISU, moeten de 65 aangesloten bonden het sein definitief op groen zetten.

Voor Nederland zit Jan Dijkema sinds twee jaar in het ISU-bestuur. Daarvoor was hij drie jaar lang interim-voorzitter van de KNSB. Dijkema was in het dagelijks leven werkzaam bij Gedeputeerde Staten in Overijssel. Tegenwoordig is hij voorzitter van het bestuur-arbeidsvoorziening in dezelfde provincie.

Volgens Dijkema zal de wereldbond niet alleen geld beschikbaar stellen voor de schaatsuitrusting voor rijders in 'arme landen'. “We willen ook bepaalde projecten financieel gaan ondersteunen. We willen coaches uit alle landen bijeen laten komen om kennis uit te wisselen. Ik sluit niet uit dat in een later stadium ook openingen worden gevonden om de coaches te subsidiëren. Zij kunnen in onderontwikkelde schaatslanden met projecten aan de slag gaan.”

Volgens Dijkema vormen de schaatscoaches een belangrijke schakel tussen de rijders en de ISU. “Daarom zijn wij ook bezig om te kijken of we de coaches binnen de structuur van de ISU een positie kunnen geven. Bijvoorbeeld in de hoedanigheid van een coachcommissie. Die zal geen stemrecht krijgen, maar wel een belangrijke inbreng.”

Dijkema noemt bij het langebaanschaatsen Scandinavië als probleemgebied. “De terugval van Noorwegen beschouw ik als een tijdelijke zaak. Maar waar is Zweden en waar is Finland? Die landen hebben een voedingsbodem om het hardrijden weer van een impuls te voorzien. Ik denk overigens niet aan de steun bij de infrastructuur. Het zou voor de ISU te kostbaar worden om nieuwe ijsbanen aan te leggen. Hoogstens kun je eraan denken de financiële risico's van kampioenschappen af te dekken.” Behalve in de Scandinavische landen hoopt Dijkema in Italië, Frankrijk en Oostenrijk iets van de grond te krijgen.

Over de overstap van Bart Veldkamp naar de Belgische bond is Dijkema sceptisch. “Ik heb begrepen dat hij alleen een postadres heeft in België. Straks gaat de een voor Luxemburg en de ander voor Denemarken rijden. Dan verschijnen er acht verschillende nationaliteiten bij de eerste tien van het EK en dat zijn dan allemaal Nederlanders. Maar er zal eerst een voorstel van de bonden moeten komen, wil de ISU maatregelen nemen tegen deze ontwikkeling. Dat zou op ons congres in juni kunnen.”

Samen met Inzell-directeur Gerd Zimmerman realiseerde hij een prijzenpot voor de grote internationale kampioenschappen. “De rijders ontvingen tot dit seizoen alleen gouden munten. Nu ligt er voor bijna twee miljoen aan prijzengeld klaar. De premies voor de World-Cupwedstrijden zijn verdubbeld.”

De wereldbekercyclus leidt niettemin een zieltogend bestaan. De wedstrijden worden nauwelijks door publiek bezocht, zelfs niet in Nederland. Dijkema moet de World Cup nieuw leven inblazen. Een verhoogde tv-exposure moet nieuwe sponsors opleveren. De ISU zal voor de sponsoring het Champions League-model van de UEFA als voorbeeld nemen. “Nu is het nog zo dat de organiserende clubs en steden op lokaal niveau naar sponsors zoeken. Wij willen dat de regie in dit opzicht bij de ISU komt te liggen. Om de exposure te vergroten moet je aan kleine technische veranderingen denken. We zullen eens kijken hoe je de World Cup nog meer als kwalificatiedrempel kunt gebruiken voor het WK afstanden dan nu het geval is.”

In het toewijzingsbeleid voor de internationale kampioenschappen zal de ISU geen verandering aanbrengen. Dit weekeinde worden de WK allround in Inzell opnieuw in de open lucht verreden. Dijkema wijst erop “ dat je er niet aan ontkomt de grote evenementen ook onoverdekt af te werken”. Er staan alleen nog hallen in Milwaukee, Salt Lake City (in aanbouw), Calgary, Hamar, Berlijn, Nagano en Nederland.

Indoor of outdoor? In Davos, waar enkele weken geleden de World-Cupwedstrijden werden afgeblazen wegens de dooi en in Baselga di Piné, de locatie van het WK van vorig jaar, laaide die discussie weer op. “Natuurlijk gaat onze voorkeur uit naar een hal, maar wat is er op tegen een groot toernooi in de buitenlucht te houden, met prachtig weer? Het WK vrouwen van vorig jaar in Savalen was een plaatje. Zelfs bij wisselend weer is het meestal zo dat de beste wint.”

“Je dient elke aanvraag van een buitenbaan goed af te wegen. Het WK mannen van twee jaar geleden in Göteborg was bijvoorbeeld niet om aan te zien. Ik heb zelden zo'n rotweer meegemaakt. Hoewel ook daar de beste won: Koss.”

Het besluit maximaal drie deelnemers per land toe te staan op de grote toernooien lijkt een lang leven beschoren. Ondanks de kritiek van Nederland en Noorwegen die als sterkste schaatslanden meer vertegenwoordigers willen afvaardigen. “Je krijgt het moeilijk voor elkaar om dit nog te veranderen, want daar is een meerderheid voor nodig onder de aangesloten ISU-leden.”

Dijkema noemt het van groot belang dat de problemen bij de KNSB binnenkort verleden tijd zijn en dat er eindelijk een nieuw bestuur wordt voorgedragen. “Het is voor de toekomst van het Nederlandse schaatsen van belang dat de bond een eenheid uitstraalt. Ook met het oog op de sponsors en het buitenland.”

    • Erik Oudshoorn