Langs de afgrond van Ligeti's lastige passages

Concert door Asko-Schönberg Ensemble o.l.v. Reinbert de Leeuw, met Saschko Gawriloff (viool). Werken van Claude Vivier en György Ligeti. Gehoord: 31/1 Koninklijk Conservatorium, Den Haag.

György Ligeti's muziek klinkt logisch, maar bestaat wel uit veel verschillende lagen. Het is een gecompliceerde microwereld in een hiërarchie van vele niveaus. Vaak is het materiaal zelf vrij eenvoudig, maar veroorzaken al die multi-dimensionele opeenstapelingen, zeker voor de uitvoerenden, nachtmerries. Dat neemt niet weg dat de totaalindruk steeds een vanzelfsprekende is. Uitvoerders kunnen zich er gemakkelijk op verkijken, vooral als ze Ligeti eerst leren kennen via een cd en dan pas de muziek aanschaffen.

Op zijn lezing dinsdagavond in het Haagse Koninklijk Conservatorium raadde Ligeti zijn gehoor met klem af om welke opname dan ook van zijn Etudes (het onderwerp van zijn lezing) aan te schaffen: ze waren zijns inziens allemaal onder de maat.

Een Haags strijkkwartet had hij al eerder geadviseerd nog maar een jaartje door te ploeteren alvorens in het openbaar op te treden en Saschko Gawriloff was woensdagavond de derde keuze voor het Vioolconcert (1990-1992), want twee voorgangsters hadden afgehaakt.

De uiteindelijke keus lag voor de hand. Gawriloff, die het aan hem opgedragen vioolconcert in première bracht, zowel de eerste 'Fassung' in drie delen als de definitieve in vijf, had het werk inmiddels al meer dan honderd keer gespeeld. Zo kan hij als geen ander suggereren dat het concert een soort van voortzetting is van dat van Bartók, met name herinnerend aan de kleuren van Bartók's Andante tranquillo. De etnomusicoloog Jaap Kunst deed ze aan de klanken van de gamelan denken. Ik hoorde in het laatste deel van Ligeti een reminiscentie aan de cadens uit het eerste deel van Bartóks concert. Maar de vergelijking gaat toch mank, want Ligeti loopt veel vaker dan Bartók langs de afgrond in razend lastige passages, hij is in alle opzichten veeleisender.

Desalniettemin verzekerde Ligeti in zijn inleiding: “Ik wil niemand op stang jagen, I need tension.”

Aan spanning was in Den Haag geen gebrek. Met name in de drie middendelen was de intensiteit bijna tastbaar, culminerend in de Passakaglia in een zeldzaam spannende opbouw. Over eenvoudig uitgangsmateriaal gesproken: slechts vijf chromatische tonen dienen hier als basis.

Voorkeur voor Zuidoostaziatische muziek spreekt onder meer uit het experimenteren met stemmingen, met name bij de viool, altviool, hoorns en trombone. Op die manier zijn zuivere grote tertsen en zuivere kleine septimen mogelijk. Maar uiteraard gaat het Ligeti vooral om de spanning die dit met de gewoon gestemde andere instrumenten oplevert.

Veel beter uitgewerkt dan in het Pianoconcert (1985-1988) zijn de broze kleuren van sopraan-blokfluit, lotusfluiten en okarina's. Het is te vergelijken met een overvloeier in de filmtechniek: opeens treden we een andere wereld binnen, iets uit een ver verleden, als in een droom.

Ook Claude Vivier, wiens Zipangu voor dertien strijkers uit 1980 geprogrammeerd stond als één van Ligeti's voorkeuren voor een componist met een interessante onafhankelijke opstelling, tast allerlei kleuraspecten af. Ook Vivier wil zuivere boventonen en ruis. Maar hoeveel bewondering ik ook koester voor deze extatische muziek, vergeleken met Ligeti verhoudt Vivier zich als Vermeer tot Rien Poortvliet.

De uitvoeringen waren exemplarisch. Mooi gedoseerd klonken bijvoorbeeld in het Kammerkonzert de solistische trekjes binnen de zachte klankvelden.

Maar vooral met het vioolconcert sloeg de vlam in de pan, allen waren heelhuids langs de afgrond heen gekomen, langs de gemeenste obstakels, zonder uit te glijden.

Eén van Ligeti's pianostukken heet trouwens Vertige (hoogtevrees).

    • Ernst Vermeulen