Koekkoek over enquêtewerk; 'Beleid Sorgdrager niet kwalificeren als onverantwoord'

DEN HAAG, 2 FEBR. Het Tweede-Kamerlid dr. A. (Alis) K. Koekkoek (CDA) neemt om meerdere reden een opmerkelijke positie in binnen de parlementaire enquête-commissie inzake omstreden politiemethoden.

Koekkoek is partijgenoot en, als deeltijdhoogleraar aan de Katholieke Universiteit Brabant, collega van oud-minister Hirsch Ballin, over wie de commissie gisteren een hard oordeel velde.

In de tweede plaats kwam Koekkoek vorig jaar oktober in botsing met commissie-voorzitter Van Traa nadat de CDA'er zijn tevredenheid had laten blijken over het ontslag van procureur-generaal Van Randwijck. Koekkoek had daarmee volgens Van Traa het gezag van de commissie ondermijnd omdat de indruk werd gevestigd dat de enquête-commissie uit was op een bijltjesdag in het politie- en justitie-apparaat.

Tenslotte onderscheidde Koekkoek zich, zo bleek gisteren, met een minderheidstandpunt in de commissie over onder meer de doorlating van harddrugs bij de bestrijding van de georganiseerde misdaad.

Uw commissie verwijt oud-minister Hirsch Ballin een onverantwoorde situatie te hebben laten ontstaan bij de bestrijding van de georganiseerde misdaad, terwijl voor minister Sorgdrager enkele keren ontlastende omstandigheden worden aangevoerd, bijvoorbeeld dat ze door haar ambtenaren niet goed was ingelicht. Meet u niet met twee maten?

“Zware kwalificaties hebben voor zittende bewindspersonen nu eenmaal grotere gevolgen dan voor bewindslieden die zijn afgetreden. Het gebruik van een kwalificatie als 'onverantwoord' heeft minder gevolgen voor een minister die er niet meer is, dan voor een zittende bewindsvrouw. Maar afgezien daarvan was er ook geen reden om die kwalificatie aan Sorgdrager uit te delen.

“Overigens: dat 'onverantwoord' slaat op het feit dat Hirsch Ballin niet op de hoogte was van de Delta-methode (waarbij grote hoeveelheden softdrugs werden doorgelaten om een misdaadorganisatie te ontmantelen, KV), en toen hij dat vervolgens wel was, niet geïnformeerd heeft of die methode wel was beëindigd. U leest niet in het rapport dat zijn opvolgers daar wel naar hebben geïnformeerd. Maar het is een verwijt dat je in elk geval Hirsch Ballin kan maken. Dat is niet anders.”

Vindt u het, gezien uw harde kritiek op Hirsch Ballin, achteraf niet terecht dat hij is afgetreden als minister?

“Daar geef ik als commissielid geen antwoord op. Als CDA-Kamerlid vond ik en vind ik dat hij destijds niet had hoeven aftreden. Maar dat hij toen zelf die conclusie trok niet meer te kunnen functioneren, acht ik begrijpelijk.”

Neemt u ook op het punt van de kroongetuige geen afstand van Hirsch Ballin? Als minister wilde hij de kroongetuige introduceren in het strafrecht. Uw commissie is daar tegen.

“Lees het geheel. We vinden in sommige omstandigheden wel deals met criminelen aanvaardbaar en zijn voor getuigebescherming door de politie. Dan kom je heel dicht bij een kroongetuige. Maar we wijzen deals met criminelen af waarbij geen strafvervolging meer plaats vindt zoals bij de kroongetuige. De commissie verschilt van mening over de vraag of je getuigen ook de mogelijkheid moet bieden een andere identiteit aan te nemen. De leden Van Traa en Rabbae zijn daar tegen, iets dat niet in het rapport staat. Zij vonden hun bezwaren kennelijk niet voetnootwaardig. Van Traa en Rabbae vinden dat te grote bezwaren aan identiteitswijziging verbonden zijn door de enorme sociale gevolgen voor omgeving en familie, zoals je in Amerika ziet. Maar de meerderheid van de commissie vindt dat het toch in uitzonderlijke omstandigheden mogelijk moet zijn om op die manier bescherming te bieden aan getuigen die belastende verklaringen hebben afgelegd.”

U vond uw eigen minderheidspositie inzake het gecontroleerd doorlaten van harddrugs wel voetnootwaardig. U wilt daarbij verder gaan dan de meerderheid van de commissie. Hoe valt uw standpunt te rijmen met de drugsnota van uw fractie die harddrugs juist zoveel mogelijk wil uitbannen?

“Dat valt heel goed met elkaar te rijmen. Onze fractie wil het drugsbeleid veel harder aanpakken. Dat brengt mij ertoe om de georganiseerde criminaliteit op dit punt stevig aan te pakken. Daarvoor heb je de methode van het doorlaten van beperkte hoeveelheid harddrugs nodig, omdat je anders de georganiserede criminaliteit op dat vlak onvoldoende kan bestrijden. Het is in de praktijk een effectieve methode gebleken. Bijna alle getuigen bij onze verhoren, variërend van minister Sorgdrager tot hoofdofficier van justitie Vrakking, vonden die methoden ook onder omstandigheden aanvaardbaar.”

Heeft de botsing tussen u en Van Traa, oktober vorig jaar, de verhoudingen in de commissie nog beïnvloed?

“Nee, het incident was gesloten de dag nadat het zich had voorgedaan. Het was van mij niet verstandig die opmerkingen over Van Randwijck te maken. Ze waren in strijd met onze afspraak die we in het begin hadden gemaakt om geen commentaar te leveren op zaken die verband hielden met de enquête. Dat was ik even vergeten. Van Traa is er vervolgens bijna helemaal in geslaagd om ons op één lijn te krijgen. Als een soort vormingswerker heeft hij geprobeerd ons zo dicht mogelijk bij elkaar te brengen, uitdagend, vragend, prikkelend: 'wat is nou je gut feeling, wat vind je er nou echt van?”'

Vormingswerker? Er zijn mooiere complimenten te bedenken voor een voorzitter van een parlementaire enquête-commissie.

“Oh, ik bedoel het juist heel positief, het is misschien een rehabilitatie van het vormingswerk.”

    • Kees Versteegh