Kakkerlak

Ze hebben mijn meubelen meegenomen, was mijn eerste gedachte. En ze hebben een ruit ingeslagen en daardoor regent het naar binnen. Pas toen drong tot me door dat ik niet in mijn bed lag te slapen, maar op de grond lag in een mij onbekend trappenhuis. Het plafond lekte. Vlak naast mijn hoofd viel gelijkmatig een druppel op de grond.

Iemand had een kurketrekker in mijn hoofd gedraaid en was nu bezig me te ontkurken. Toen ik mijn hoofd een paar centimeter optilde zag ik dat dat kwam, omdat ik geen schoenen meer aan had. Ook mijn jas en het vest dat ik kort daarvoor bij warenhuis B. had gekocht, waren verdwenen. Gelukkig had ik mijn bril nog. Pessimisme is een luxe die je niet altijd kunt permitteren.

Ik stond op. Dat was op het juiste moment. Ik stond nog niet op twee benen of ik begon over te geven. Ik kon me niet herinneren de afgelopen 24 uur maïs te hebben gegeten, maar er kwam een klein maïsveld uit mijn mond. Misschien dat grote hoeveelheden champagne in de maag worden omgezet in maïs. Als dat echt zo was had ik de oplossing van het hongerprobleem gevonden. Binnenkort kan iedereen zijn eigen maïs produceren. Toen moest ik weer gaan liggen. De grond was behoorlijk vies, maar ik kon niet anders. Bovendien was ik zelf ook behoorlijk vies.

Geld en bankpasjes waren uit mijn borstzakje verdwenen, maar wat me veel meer zorgen baarde was dat ook de sleutel van mijn kamer in hotel S. waar ik sinds de brand in mijn appartement woonde, mee was genomen.

Ik zou bij de receptie om een nieuwe sleutel moeten vragen. Portiers van sjieke hotels als hotel S. staan er om bekend dat ze niet graag reservesleutels geven aan gasten die er heel vies uitzien en zich ook niet kunnen identificeren.

Voor de tweede keer probeerde ik op te staan. Ik zag de houten deur waarop '4F' stond gekrijt en ik herinnerde me opeens dat ze Lisa heette en mode-ontwerpster was of wilde worden en dat zij mij hier mee naartoe had genomen. Ik had haar omtmoet in de bar van hotel S.

Ik liep de trappen af. Langzaam, om niet te vallen. Het gebouw leek me onbewoond. Overal lekte het. Op de muren waren leuzen geschilderd die ik niet kon ontcijferen. Toen ik buiten stond zag ik dat het vroeg in de ochtend was en dat ik in de XXste straat stond, vijftien minuten van mijn hotel. Voor de tweede keer binnen 48 uur moest ik halfnaakt over straat. Dit werd een winter om nooit te vergeten.

Ik liep voetje voor voetje. Niet omdat ik bang was in glas te trappen, maar omdat ik niet sneller kon. Niemand keek naar me. Ik viel niet op.

Bij hotel S. moest ik de nachtbel gebruiken. De nachtportier deed open. Nog voor hij iets kon zeggen zei ik, 'het is mijn eigen schuld, ik neem alle verantwoordelijkheid op me, ik heb zoveel champagne gedronken dat in mijn maag een maïsveld is ontstaan. Maar de waarheid is, ik ben bestolen. Ook van enkele kledingstukken, zoals u ziet. Dat geeft niet. Ik wilde mijn oude kleren toch aan het Leger des Heils meegeven, nu kan ik ze zelf aantrekken. Maar ze hebben ook mijn kamersleutel meegenomen. 508. Kan ik een reservesleutel krijgen?'

Zonder iets te zeggen liet hij me binnen. En ook zonder iets te zeggen overhandigde hij me de reservesleutel. Zo goed als het ging in mijn toestand rende ik naar de lift, bang als ik was dat hij zich zou bedenken.

In mijn slaap hoorde ik de hele tijd het gedruppel van water, tot het gedruppel overging in het gerinkel van de telefoon. Tegen die tijd had ik meer dan zestien uur geslapen. Ik nam op. Het was de receptioniste. Of ze mijn kamer konden schoonmaken.

De hoofdpijn was minder, maar was er nog steeds. Als een storm die 24 uur vernietigingen had aangericht en nu over was gegaan in harde wind.

Ik kleedde me aan en deed oude gymschoenen aan. Mischien liep ik naar de hotelbar, omdat ik hoopte dat Lisa daar weer zou zitten. Zo dom kon ze niet zijn en zo dom was ze ook niet. 'Dag privé-detective', begroette me de barkeeper.

Ik herinnerde me dat ik had verteld dat ik privé-detective was. Het is merkwaardig als anderen je moeten vertellen wat jij hebt gezegd. Net alsof je iemand anders bent geworden.

'Hoe heette je ook alweer, privé-detective?'

'In mijn vak noemen ze me De Kakkerlak,' zei ik.

'Dan ben je een kakkerlak met de geldpest.'

Dat was waar. Lisa had me verteld dat ik de geldpest had. 'Er is maar een plaats voor mensen met geldpest,' fluisterde de barkeeper, 'Las Vegas.'

Sommige tennisspelers die op het punt staan onverwacht een wedstrijd te winnen, gaan opeens alle ballen fout slaan. Ik wist dat ik alle ballen fout sloeg, maar ik genoot ervan. Het leek net een overwinning, al wist ik niet op wie of wat. Ik kocht een kaartje naar Las Vegas voor diezelfde avond. Ik verkeerde in een roes, maar niet veroorzaakt door champagne of andere alcohol. De roes die ontstaat als je je angst met alle geweld overwint. Dat is alsof je de geluidsbarrière hebt genomen en nu door de wolken zweeft, luid zingend: de angst is vernietigd, nu de rest nog.

'Waar gaat de reis heen?' vroeg de taxichauffeur.

'Vegas', zei ik, 'privé-detective b.d. wordt gelukszoeker in Vegas. Weet je nu genoeg?'

'Privé-detective?' Hij kon het niet geloven.

'Ik zal me maar voorstellen,' zei ik, 'ze noemen me De Kakkerlak en ik heb de geldpest.'

'Ik heb veel beesten in mijn auto gehad,' zei hij, 'maar nog nooit een kakkerlak met geldpest.'

'Rijd nu,' zei ik, 'anders mis ik mijn vliegtuig.'

    • Arnon Grunberg