Hete dromen van Rimbaud op muziek

Concert: Koninklijk Concertgebouworkest en Nederlands Kamerkoor o.l.v. Hans Vonk m.m.v. Christopher Gillett. Gehoord: 31/1 Concertgebouw Amsterdam. Herhaling: 2, 4/2. Radio-uitz.: 3/2 Avro Radio 4.

'Gelijk de warme excrementen in een oude duiventil, schroeien duizend Dromen zachte brandwonden in mij'. Een regeltje Rimbaud in de vertaling van Rudolf Escher, componist met een uitgesproken literaire gave. Het Koninklijk Concertgebouworkest speelde gisteren onder leiding van Hans Vonk Eschers Univers de Rimbaud, een cyclus van vijf gedichten van deze 'poète maudit' voor tenor en orkest.

Om de duistere, vaak naargeestige gedichten van Arthur Rimbaud te hervertalen in klanken, creëerde Escher een orkest met een opvallende samenstelling en een ruimtelijke opstelling. Weinig strijkers in verhouding tot de blazers, harpen, vibrafoon, een uitgebreide batterij slagwerk en twee extra blazers functionerend als een 'Fernorchester' in vestzakformaat. In een klankschildering die nauwgezet aansluit bij de sfeer van de gedichten worden deze als een ketting van symfonische miniaturen aaneengeregen. Univers de Rimbaud bestaat uit orkestrale metamorfosen, - refererend aan de grafiek van halfoom Maurits Escher - geleidelijk van kleur en vorm verschietende constellaties.

Hans Vonk zorgde ervoor dat de sinistere sfeer in dit stuk goed werd getroffen. Vooral het door melodisch slagwerk geschraagde Ma Bohème (Fantaisie) met buisklokken, maracas, glissanderende pauken, en pointillistische celesta- en harpnoten kreeg een boeiende vertolking. De inbreng van tenor Christopher Gillett (die een om gezondheidsredenen verhinderde Laurence Dale verving) kon mij hier niet werkelijk bekoren. Daarvoor was deze te vlak van toon en nog te oppervlakkig van interpretatie.

Waren het bij Escher de schroeiende dromen van Rimbaud die zijn compositie richting gaven, de rest van het programma speelde zich eveneens grotendeels af in het duistere domein van de nacht. Evenwichtig werden de soli van de Engelse hoorn en de altviool gelegd in het mozaïek van weke klanken in de eerste van Debussy's Trois Nocturnes, Nuages. In de laatste, Sirènes, versmolt het orkest wat minder goed met de sopranen en mezzosopranen van het Nederlands Kamerkoor, het koor dat later met beeldende kracht Hebbels strofen in Schumanns Nachtlied zong.

Schumanns Vierde symfonie kende aansluitend een nette opening, een meeslepend eerste deel, een afstandelijk en weinig poëtisch tweede deel, een enigszins rommelig derde en een economisch slotdeel, dat nergens echt meeslepend werd. Deze Schumann had eigenlijk iets van een oude duiventil uit Beethovens tijd, om de geciteerde woorden van Escher in herinnering te roepen, en verraadde minder de hand van de bouwmeester die anticipeert op Richard Strauss' Don Juan.