Het verdriet van Vallejo

César Vallejo: Bloemlezing uit de poëzie. Samenst. en vert. Bart Vonck. Uitg. Poëziecentrum, 285 blz. ƒ 34,90

In alle handboeken staat het: César Vallejo (1892-1938) behoort tot de grootste latijnsamerikaanse dichters, maar zou onvoldoende vertaald en bestudeerd zijn omdat hij zo moeilijk is. Mij boeit hij minder dan Paz, Borges, laat staan Neruda. Misschien komt dit omdat hij zo expliciet de meest tragische is van het rijtje. Uit zijn gevleugelde beginregels “Ik zal sterven (-) op een dag die ik mij al herinner” of “Ik lijd deze pijn niet als César Vallejo” blijkt al meteen dat lijden de grote constante is in zijn werk. Vallejo lijdt aan het leven, en al beschouwt hij deze situatie vaker als een objectief dan als een individueel gegeven, het zijn de persoonlijke omstandigheden die zijn werk kleuren.

Zijn trauma's zijn velerlei: gevangenschap als jongeman, heimwee naar de geborgenheid van het ouderlijk huis, zwakke gezondheid, verscheurdheid tussen twee culturen (hij was een mesties) en tussen Parijs en Peru. Hij bestreed de geijkte taal met tal van neologismen. Tijdens de Spaanse Burgeroorlog liet hij de esthetiek varen en schreef strijdgedichten.

De zojuist verschenen Nederlandse bloemlezing van zijn werk, waarin alle genoemde biografische elementen zijn terug te vinden, doet op het eerste oog aangenaam aan. De knappe, peinzende kop van de dichter staat voorop. Binnenin vinden we foto's, handschriften en tekeningen, onder meer van Picasso, en noten en aantekeningen. De ene bundel is royaler vertegenwoordigd dan de andere, maar op de keuze van samensteller Vonck valt weinig aan te merken.

Na die eerste indruk komt de klap des te harder aan. Tussen de doelbewuste nieuwvormingen figureren sleetse of toffe woorden ('tranendal', 'gekkie') die vast niet zo bedoeld zijn en vaak is er sprake van lelijk Nederlands. Zo kwam ik tot twee maal toe het germanisme 'in vraag stellen' tegen. Vallejo rebelleerde tegen de vanzelfsprekende woordenvloed, maar als een vertaler deze rebellie omfloerst weergeeft, schiet hij zijn doel voorbij.

En dan die opgeblazen inleiding. Ik wist niet dat dat nog voorkwam, zo'n opeenstapeling van geleerd aandoend koeterwaals vol -isme zus en -isme zo: “In de evolutionaire theorieën van Haeckel vond de jonge dichter de monistische en materialistische geschiedenis van de oorsprong van het universum”.

Het onverdraaglijkst is Vonks passie om met grote namen te strooien. Als Kant, Spinoza en Rousseau niet in één adem worden opgevoerd, dan zijn het wel Kierkegaard en Nietzsche, of Freud. Let wel: ze worden niet geciteerd, maar alleen genoemd. Wat zij hier te maken hebben blijft gissen.

Met navoelbare liefde voor poëzie heeft dit weinig te maken. Het is te hopen dat zijn binnenkort verschijnende Lorca-proeve van meer persoonlijke moed getuigt.

    • Barber van de Pol