Er is geen substituut voor EMU

De Duitsers willen de EU, de Britten de WEU en de Fransen de EMU. Dat klinkt nogal schetsmatig want tenslotte zijn alle drie mogendheden lid van de EU en de WEU en maken Fransen en Duitsers zich gezamenlijk op de EMU te stichten, met in het achterhoofd de niet zo geheime wens dat de Britten na verloop van tijd eveneens van de partij zullen zijn. Maar de accenten die de drie regeringen plaatsen, zijn toch verschillend, zelfs uiteenlopend omdat ieder voor zichzelf een eigen exclusieve kijk heeft op elk van de drie instellingen.

De regering-Kohl ziet voor zich een sterk gefederaliseerde Europese Unie. Zij praktiseert de federale structuur in eigen land, heeft ervaring met het subsidiariteitsbeginsel uit de preambule van het Verdrag van Maastricht (“besluiten worden zo dicht mogelijk bij de burgers genomen”) en heeft als prioriteit van Europese politiek de zogenoemde 'West-Bindung'. Waar federale ideeën en 'West-Bindung' praktisch met elkaar in conflict komen omdat Fransen en Britten niet werkelijk bereid zijn soevereiniteit bij 'Brussel' in te leveren, doet Bonn bereidwillig een stap terug. Zoals Nederlandse federalisten bij herhaling tot hun verdriet hebben moeten ervaren.

De Britten hebben inmiddels in de West-Europese Unie het anker gevonden dat hen aan Europa bindt zonder erin op te gaan. Op dit moment vervullen zij het voorzitterschap van deze van origine Europese verdedigingsorganisatie en zij maken daarvan gebruik om hun ideeën omtrent de inrichting van het verenigd Europa kracht bij te zetten. In de aan 'Maastricht' gehechte betreffende Verklaring heet het weliswaar: “De WEU zal een integrerend deel zijn van het ontwikkelingsproces van de Europese Unie (...)”, maar onlangs liet de Britse onderminister David Davis er geen twijfel aan bestaan dat hieraan duidelijke grenzen zijn gesteld. In zijn wijze van zien kan de WEU in het geweer komen in antwoord op een aanbeveling of een verzoek van de Europese Raad (het hoogste orgaan van de EU), maar zeker niet op zijn bevel.

Het onderscheid dat de Britten maken tussen EU en WEU, stoelt op een paar zinvolle argumenten. De Europese Unie is op het gebied van verdediging en veiligheid een allegaartje. De oude kern van de Unie is lid van de NAVO en van de WEU, maar landen als Ierland, Zweden, Finland en Oostenrijk zijn dat niet. De laatste drie lidstaten staan bovendien nog steeds bekend als de 'neutralen' hoewel het Oost-Westconflict waarin zij nominaal neutraal waren, geschiedenis is. Nu houdt de term het handhaven van een zekere afstandelijkheid in ten opzichte van een door de EU en/of WEU te ontwikkelen buitenlandse en veiligheidspolitiek. Een tweede Britse overweging is dat een land als Noorwegen weliswaar buiten de EU en de WEU staat, maar via zijn NAVO-lidmaatschap toch nauwer met de WEU dan met de EU is verbonden.

De Fransen hebben tot dusver nogal gelaten gereageerd op de Britse uitlatingen omtrent de WEU. Het was Jacques Chirac die als premier van de eerste cohabitatie-regering gedurende het tijdperk-Mitterrand de uit de jaren veertig en vijftig stammende organisatie uit een Doornroosje-sluimer wekte en haar nieuw leven inblies als het toekomstige plannings- en bevelscentrum van een Europese veiligheids- en verdedigingspolitiek. Het denkbeeld van de WEU als slagarm van de EU en van een geleidelijke integratie van beide instellingen was eveneens aan Franse geesten ontsproten. De formulering in het Verdrag van Maastricht schetst dan ook heel zuiver wat Parijs voor ogen heeft. En dat is dus niet hetzelfde wat Londen voorstaat.

Het zou te ver gaan om de Fransen van een chronisch-ziekelijke achterdocht ten opzichte van Duitsland te verdenken, maar hun Europese beleid heeft als hoofddoel het zoveel mogelijk beheersbaar maken en houden van de Duitse factor. Historisch zouden de Europese instellingen kunnen worden geschetst als een substituut voor de bezetting van het Rijnland, als organen waardoor voeling kan worden gehouden met wat er in Duitsland leeft en tegelijkertijd sturing en beïnvloeding van de Duitse politiek mogelijk blijft. Het succes van deze Franse politiek mag worden verklaard uit haar keerzijde: het Duitse verlangen naar blijvende verzoening met voormalige vijanden en opneming in de politiek-economische civilisatie van het Westen.

Maar de Fransen kunnen hun ambivalentie niet geheel toedekken. Speciaal op het gebied van veiligheid en verdediging willen zij de Duitsers aan zich binden, zonder overigens militair de eigen Franse soevereiniteit op te offeren. Een intergouvernementele constructie is daarom het Franse maximum. De WEU is zo bezien een tussenstation op de weg naar een intergouvernementeel bepaalde buitenlandse en veiligheidspolitiek van de Europese Unie. Het Eurokorps is bedoeld als de kiem van een strijdmacht die de WEU/EU straks ter beschikking zal staan. Het geheel moet kunnen opereren buiten Atlantisch verband. Dat is voor de Britten nog wel aanvaardbaar, maar niet zodra een gezamenlijk Europees optreden de Atlantische banden onder spanning zou plaatsen. Vandaar dat zij opdrachten van de EU uit de weg willen kunnen gaan.

De EM (de Economische en Monetaire Unie) is een instelling met een bijzonder karakter. Zij heeft haar eigen supranationale autoriteiten (een Europese centrale bank en een Europese munt) en als gesprekspartner de intergouvernementeel gestructureerde Raad van ministers van financiën. Zo is de EMU een projectie van het Duitse streven naar federalisering en tegelijkertijd een Frans handvat verbonden met de Duitse politiek. De weerstand in Duitsland om de mark aan de euro uit te leveren is in breder politiek verband a-typisch, dwars als die weerstand ligt op het algemene streven van de Duitse regering naar het versterken van het communautaire karakter van de EU.

Wie wil kan in de gehechtheid aan de mark een symptoom zien van wat er in de toekomst nog aan Duitse nationale sentimenten kan opborrelen, sentimenten die een gevaar zouden kunnen gaan opleveren voor het communautaire Europese weefsel dat sinds 1958 tot stand is gekomen. De krachten die momenteel in Frankrijk en elders op grond van sociale overwegingen twijfel zaaien aan de onmiddellijke opportuniteit van EMU en euro nemen dan ook een stevig risico.

De EMU is bedoeld als het communautaire sluitstuk van de Gemeenschappelijke Markt. Mocht het er uiteindelijk niet van komen dan gaat de dynamiek van de Europese integratie verloren. Een substituut met dezelfde politieke aandrijvingskracht is niet voorhanden.

    • J.H. Sampiemon