Drie trambestuurders

Tirade 361. Uitg. Van Oorschot, 118 blz. Prijs: ƒ 25,-

Na plusminus acht o zo vruchtbare jaren maakt de redactie van Tirade plaats voor een andere. Tomas Lieske (sinds 1987), Robert Anker (1988) en Willem Jan Otten (1989) stappen als één man op, want 'acht jaar is een mooie tijd', en inderdaad lijkt er geen sprake van interne onenigheid of onmin met uitgever Van Oorschot te zijn, noch viel in de laatste nummers ook maar iets van een zekere tijdschriftmoeheid te bespeuren. De drie willen daar niet op wachten.

Bij Tirade denkt de een meteen aan de brievenboeken van Reve, een ander aan het debuut van Andreas Burnier, geïrriteerden aan Jacques de Kadt, polemiekliefhebbers aan Jeroen Brouwers die hier in 1979 De Revisor platschreef, en ander denkt aan Kopland, Judith Herzberg, Koolhaas en Charles B. Timmer. Heeft het drietal Lieske-Otten-Anker, met uitgeefster Gemma Nefkens als redactiesecretaris, zoiets schokkends uitgehaald in de literatuurhistorie als de oude G.A. van Oorschot met Reve's brievenboeken en Brouwers' aanval in 'De nieuwe revisor'? Nee. Natuurlijk niet. Taboes als aan het begin van de jaren '60 bestaan in de literatuur niet meer, en ook zijn de onderlinge tegenstellingen tussen de literaire tijdschriften niet meer zo groot dat een flinke polemische aanval valt te verwachten. Desondanks is de vertrekkende redactie van groot belang voor de hedendaagse Nederlandse literatuur geweest. Tirade bloeide onder hun leiding op, vond volkomen terecht nieuwe abonnees, en kreeg al even terecht de A-status van het subsidieverstrekkende Produktiefonds. En hoe?

Poëzieman Tomas Lieske schreef bijzonder ingeleefde en persoonlijke kritieken in zijn 'Poëziekroniek' en trok met zijn verlangen naar 'poëzie die de ziel treft' nieuw en ouder talent aan. Naast Kopland, Judith Herzberg en Leo Vroman vond hij Nachoem Wijnberg, Eva Gerlach, Elma van Haren, Rogi Wieg (die hem opvolgt), Peter Ghyssaert, Tonnus Oosterhof, Marieke Jonkman (Anton Ent) en Elisabeth Eybers, die hem klaarblijkelijk na aan het hart ligt. Bij zijn aantreden acht jaar geleden voorzag hij een zware periode: “Een ongetemde olifant die door eenzaamheid van streek is kan behoorlijk agressief zijn. Naast kwaliteiten als intelligentie, smaak en doorzettingsvermogen is misschien deze eigenschap van groot belang voor tijdschriftredacties, zeker voor redacteuren van Tirade.” Niet al te bescheiden, maar achteraf blijkt dat gerechtvaardigd. Hij wilde van Tirade een minder politiek blad maken, een etiket dat het door talloze stukken van vooral de sociaal-democratische anti-communist Jacques de Kadt had verkregen. Alle macht moest aan de literatuur, wat gelukt is, die literatuur moest 'dansender, spitser, parelender' zijn en ook dat is gelukt. “Af en toe een pétillant in plaats van alleen maar die oude roden waar soms een grand cru bij zit maar vaak ook een overjarige bourgeois”.

De driekoppige redactie leek wel overal op de literaire frontlinies te staan en met een bijna gebiedend enthousiasme van alle partijen verhalen, kritieken, essays en gedichten los te kunnen krijgen. Zo waren er schitterende essayreeksen van Gerrit Krol, Hugo Brandt Corstius, en Charlotte Mutsaers - 'Ik sprak met dennenaalden, pijnappels en vissen'; weemoedige maar onsentimentele herdenkingsnummers over Koolhaas, Hillenius en Faverey; verhulde themanummers over de stad, jeugdige ontvankelijheid voor poëzie, de Heimat, of de ontroering. Veel namen pasten precies bij de stal van Hollands Maandblad: Otten zelf, Mutsaers, Faverey, Bas Heijne, K. Michel - een fusie van deze twee tijdschriften zou een jaar of vijf geleden helemaal niet zo gek zijn geweest.

Als 'een oefening in railverleggend rijden' typeert de redactie de achterliggende jaren in een afscheidsvers over een redacteur/trambestuurder: “Soms wordt hij achterin van lieverlede / conducteur en laat de rails hem sturen, / tot de dag waarop hij denkt: dit was dan dus / de rit. Aan dit einde stap ik uit. / Dan kijkt hij achterom. En ziet: de wagons / puilen uit van de passagiers, van vrienden / zonder wie de rit ondenkbaar zou zijn geweest, onnodig ook. Zijn zij zijn werk?”

Het nieuwe Tirade-team, penvaardig beeldend kunstenaar Toine Moerbeek en de dichters Rogi Wieg en George Moormann, is op hun beurt van plan de koers van Van Oorschots blad wat te verleggen. Het moet, volgens Moormann, vooral 'creatiever' worden. Met Moerbeek en met zijn eigen achtergrond als oprichter van het altijd bijzonder vormgegeven tijdschrift De Zingende Zaag kunnen we gevoeglijk uitgaan van een groter aandeel beeldende kunst. Moormann meldt gelukkig geruststellend dat De Zingende Zaag gewoon zal blijven voortbestaan. Laten we hopen dat hij de energie en de agressie van twéé ongetemde olifanten zal weten op te brengen.

    • Margot Engelen