De politie is bang voor kampers

In het rapport-Van Traa wordt de misdaad onder bewoners van woonwagenkampen besproken. Deel 1 van een serie over criminele circuits. Inzake kampers.

ROTTERDAM, 2 FEBR. Een klein aantal zogeheten 'kampers' (bewoners van woonwagenkampen) heeft belangrijke delen van de groothandel in softdrugs in handen. Tot de geruchtmakende drugszaken die verleden jaar voor de rechter kwamen behoren die tegen Kobus - de Zigeuner - L. en Lambertus K., beiden kamper. Onlangs werd de door Justitie als criminele 'topman' bestempelde Johan - de Hakkelaar - V. gearresteerd, eveneens een kamper. Een recent opgestelde politielijst van de top-15 criminelen in Twente bestaat voor tweederde uit Enschedese (oud-)woonwagenbewoners.

De criminologen Bruinsma en Van de Bunt analyseren in een deelrapport de georganiseerde criminaliteit in drie Nederlandse steden. “De trek van woonwagenbewoners van de streek rond Emmen in de jaren twintig naar Enschede is wat betreft de criminaliteit en de openbare orde in die stad niet onopgemerkt voorbij gegaan”, zo zeggen zij. Vanaf het moment dat de kampers zich in de stad vestigen, vaak als handelaar in auto's (ook Johan V. begon als tweedehands-autoverkoper) of beheerder van een autosloperij waren er problemen met politie en justitie. “Een deel van de (ex-)woonwagenbewoners maakt van meet af aan deel uit van de lokale penose en woont nog altijd in één wijk in de stad.” Kleine kampen vormen volgens de onderzoekers “voor burgers een no-go- area”.

Ook criminoloog Bovenkerk wijst, sprekend over de georganiseerde criminaliteit in Amsterdam, op het verband tussen georganiseerde misdaad en woonwagenkampen. Hij noemt de woonwagenkampjes “vrijplaatsen waar controlerende instanties, ook de politie, zich niet wagen zonder duidelijke overmacht”. Hoe kon deze onverkwikkelijke situatie ontstaan en waarom heeft iedereen hier zo lang het zwijgen toe gedaan?

Afgezien van de zigeuners kende Nederland tot het einde van de negentiende eeuw geen woonwagenbevolking. Die ontstond rond de eeuwwisseling en ontwikkelde zich pas in de loop van deze eeuw tot een vrij belangrijke bevolkingsgroep. Het waren mensen die trekkend met een woonwagen aan de kost kwamen als ketellapper, stoelenmatter of scharensliep. Na de oorlog heeft de overheid geprobeerd het rondreizen te ontmoedigen. Aanvankelijk werden de kampers in grote centra bijeengebracht. Er zijn momenteel 7.600 standplaatsen verdeeld over 1.230 centra, waarvan het gros klein is. Er zijn nog 19 grote regionale centra. Het beleid is nu gericht op plaatsing van mensen in kleine kampen. De grootte van de groep van (ex-)woonwagenbewoners wordt op dit moment op 30.000 geschat.

Pag.3: Oud taboe in misdaadland

In rapporten van de overheid is tot nu toe met geen woord gerept over criminaliteit onder kampbewoners. Off the record willen politiemensen en ambtenaren van Justitie wel zeggen dat kampers een probleem voor de openbare orde vormen. “Maar niemand zal openlijk iets over criminaliteit en kampers durven te beweren”, aldus een ambtenaar. Ook in het boek 'Mensen van de reis; woonwagenbewoners en zigeuners' (Cottaar, Lucassen en Willems 1995) komt het onderwerp criminaliteit nauwelijks aan bod. “En dan vooral om erop te wijzen dat de criminaliteit van een minderheid van woonwagenbewoners maar al te dikwijls wordt misbruikt om de hele groep te criminaliseren”, aldus criminoloog Cyrille Fijnaut.

Fijnaut beschrijft de opkomst van de kampers in het criminele landschap. Volgens een zegsman van de onderzoeker hadden de kampers in de jaren zestig en zeventig “met diefstallen, inbraken en overvallen ontzettend veel geld verdiend” en waren zij bereid dat in de ontluikende handel in hasj te investeren. (Rapport-Van Traa, Bijlage VIII Deel I: Autochtone, allochtone en buitenlandse criminele groepen).

Al in de zeventiende en achttiende eeuw maakten diverse criminele bendes de Zuidelijke en Noordelijke Nederlanden onveilig. Naast autochtone Hollandse, Zeeuwse en Brabantse groepen waren er bendes van oud-soldaten, zigeuners en joden. Gemeenschappelijk kenmerk van deze bendes was de marginale positie van de groepen waaruit de leden van deze bendes werden gerecruteerd.

Het optreden van bendes rond de Tweede Wereldoorlog met name in Brabant, zo schrijft Fijnaut, “werd bevorderd doordat zij konden terugvallen op op de stilzwijgende steun van de hele gemeenschap”. Het plegen van criminaliteit werd volgens de criminoloog “getransformeerd tot een strijd tegen het gezag”. Ook in deze tijd zijn er groepen mensen die door hun leefwijze meer dan anderen geneigd zijn te kiezen voor een carrière in de criminaliteit. Mensen bijvoorbeeld die zich door de samenleving voelen gediscrimineerd, die loyaliteit aan de eigen groep boven alles stellen, die geweld een geaccepteerde vorm van conflictbenadering vinden en tolerant staan tegenover het gebruik van illegale drugs. Onder deze groepen vinden we onder andere volgens Fijnaut “groepen die geen vaste plek hadden, niet sedentair waren, maar ambulant”.

Door de joden- en zigeunervervolging in de oorlog is de begrijpelijke neiging ontstaan een koppeling tussen bevolkingsgroepen en misdaad uit de weg te gaan. Fijnaut wijst erop dat er in het debat over woonwagenbewoners twee stellingen werden betrokken. Enerzijds overheden die zeiden “een reëel criminaliteitsprobleem niet langer te kunnen gedogen”. Anderzijds actievoerders en pleitbezorgers die in acties van de overheid “een misplaatste poging tot criminalisering zagen”. De felheid van dit debat heeft volgens Fijnaut “een taboe geschapen”. “Iedereen weet waar de algemene criminalisering van deze groepen in de tijd van de Nazi's toe heeft geleid”, schrijft Fijnaut. “Maar deze afschuwelijke geschiedenis kan nu - vijftig jaar later - geen reden zijn de ogen geheel te sluiten voor de criminaliteit die, om wat voor reden dan ook, door bepaalde woonwagenbewoners worden gepleegd.” In het rapport-Van Traa valt ook te lezen waarom de bestrijding van de aan kampers gerelateerde criminaliteit moeilijk zal zijn. Bovenkerk en Fijnaut schrijven over de Hells Angels-motorclub: “Het zeer gesloten karakter van hun hiërarchische organisatie maakt infiltratie bijzonder moeilijk. Daarenboven is de loyaliteit van de leden van de eigen organisatie zo groot dat zij niet of nauwelijks uit eigen beweging met de politie contact zullen zoeken.” (Bijlage XI deel IV). Zij spreken over Hells Angels, maar het kan met evenveel recht ook over kampers worden gezegd.

    • Hans Moll