De mens als brok gele kosmos

Tentoonstelling: Jan van Eyk (1927-1988). T/m 10 maart. Stedelijk Museum Schiedam, Hoogstraat 112, Schiedam. Di t/m za 11-17u, zo- en feestdagen 12u30-17u. Monografie ƒ 59,50. Vanaf 23 maart te zien in museum Kempenland, Eindhoven.

Zo'n dertig, veertig jaar geleden werden de schilderijen van Jan van Eyk (1927-1988) de hemel ingeprezen. Critici schreven over 'miskend talent' en prezen Van Eyks afkeer van 'officiële' kunst. Kritieken waren lovend, musea verwierven, jury's deelden prijzen uit en menige kloosterkapel, ziekenhuis, universiteit en zelfs kathedraal werd voorzien van wandtapijt, glas-in-beton of wandschildering. Van Eyk was een begrip.

Toch is Van Eyk in zo'n korte tijd al een vergeten figuur. Musea hangen zijn doeken zelden op zaal en drie van zijn monumentale opdrachten zijn inmiddels gesloopt.

Onlangs verscheen een monografie van deze Brabantse schilder en het Stedelijk Museum Schiedam heeft nu een overzichtstentoonstelling ingericht van ruim dertig schilderijen en een grote hoeveelheid etsen en tekeningen.

Uit het oeuvre komt een schilder naar voren die weliswaar geen baanbreker genoemd kan worden maar iemand die in de smaak van destijds heeft getracht de verschillende invloeden uit de kunstgeschiedenis te verwerken met een soms boerse, dan weer religieuze lading.

Het vroegste doek op de tentoonstelling toont een man met een sikkel. Het is in 1952 geschilderd in aardse tinten - er moeten vele tubes omber door zijn handen zijn gegaan - in een vooroorlogse Vlaams-expressionistische stijl. Daarna volgt een periode waarin Van Eyk abstract schildert in de zogenaamde Ecole de Paris stijl; 'modern en toch gezellig', zoals men toen wel zei. Zijn tekeningen en etsen hebben soms iets van een Picasso en Miro.

In de jaren zeventig tekenen zich geleidelijk aan vrouw- en kindfiguren af, die afwisselend vroom en wanhopig naar boven kijken.

Van Eyk mag zich dan niet nadrukkelijk de kunstgeschiedenis hebben ingeschilderd, zijn leven en werk lijken wel exemplarisch voor het na-oorlogse kunstklimaat in (Zuid-)Nederland.

Zowel de monografie als de oude artikelen geven een aardig inzicht hoe men destijds aan mythevorming deed. Op foto's zien we een bebaarde schilder die naar z'n ezel kijkt als een boer naar z'n mislukte oogst. In artikelen en interviews werd hij geromantiseerd als een kluizenaar, 'zeker geen beat-nik', een man die in korte zinnen praatte en zelfs die niet helemaal afmaakte. Hij schilderde 'de mens, niet de uiterlijke mens maar de mens als deel van het leven, als brok, kiem of onderdeel van de kosmos.' 'Hij hield niet van openingen en van een schilderij kon hij maar moeilijk afstand doen.'

Nu er afstand is om de mythevorming rond Van Eyks persoon los te zien van zijn oeuvre, blijkt hoezeer de kunstenaar buiten ontwikkelingen heeft gestaan. Hij baseerde zich op modes die al voorbij waren. We laten ons niet meer meeslepen door de ernst en toewijding waarmee hij schilderde. Wat rest is een glimlach.