De geur van gokken; Mike Figgis over Hollywood, drank en romantische liefde

Geen enkele Hollywoodstudio had behoefte aan de produktie van Leaving Las Vegas. Inmiddels is de film van de onafhankelijke Engelse regisseur Mike Figgis een succes bij het publiek van het International Filmfestival Rotterdam en kreeg hij een Golden Globe. Figgis heeft met zijn verhaal over een mislukte scenarioschrijver die zich in de woestijn van Nevada dood gaat drinken en er de liefde van zijn leven vindt, blijkbaar een zenuw geraakt. “Het Amerikaanse publiek kan veel meer aan dan Hollywood denkt”.

Leaving Las Vegas is nog te zien tijdens het Maastrichtse festivalweekend, vanavond om 23.00u in Pathé 2 en morgen om 14.30u in dezelfde zaal. De film wordt in maart in de overige Nederlandse bioscopen verwacht.

Slechts een etmaal bracht de Engelse regisseur Mike Figgis (47) vorige week door op het International Filmfestival Rotterdam om zijn door publiek en filmkritiek hogelijk gewaardeerde Amerikaanse film Leaving Las Vegas aan de man te brengen. Woede om de stupiditeit van het huidige Hollywood was een belangrijke inspiratiebron voor de film over een alcoholistische, mislukte scenarioschrijver (Nicolas Cage), die naar de woestijn van Nevada vertrekt om zich dood te drinken. Daar ontmoet hij zijn grote liefde, een prostituée (Elisabeth Shue). Zijn leven kan ze niet meer redden, wel z'n ziel. Mike Figgis is een voormalig rockmuzikant - trompettist, gitarist - die in zijn schooltijd in Newcastle nog met Bryan Ferry in een bandje speelde (Gas Board) en bij de eerste repetities van Roxy Music meedeed. Uit die tijd kent Figgis ook stadsgenoot Sting, die in Leaving Las Vegas de jazzy score zingt.

Na zijn bejubelde Britse gangsterfilm Stormy Monday (1988) maakte de nog steeds in Londen wonende Figgis een remake van The Browning Version en drie Amerikaanse films. In de voorlaatste, Mr. Jones, speelde Richard Gere een manisch-depressieve patiënt. Omdat het publiek daar niet vrolijker van wordt besloot de studio echter de depressies er zo veel mogelijk uit te knippen. Als reactie koos Figgis voor het verfilmen van een semi-autobiografische obscure roman van een zekere John O'Brien, die kort na het verkopen van de filmrechten een eind aan zijn leven maakte. Volgens Figgis was het eveneens Leaving Las Vegas getitelde boek diens suicide note: “Het was duidelijk dat geen Hollywoodstudio verfilming aan zou durven. Er was geen compromis mogelijk, je kunt niet zomaar even het einde veranderen of akelige passages weghalen. Het kon dus alleen als onafhankelijke film gemaakt worden. Het budget bedroeg drieëneenhalf miljoen dollar, een symbolisch bedrag voor Hollywoodbegrippen, zodat we bijna documentair moesten filmen.”

Maar de wraak van Figgis is zoet. De film is een enorm succes en hoofdrolspeler Cage won onlangs de zogenaamde Golden Globe, een betrouwbare indicatie voor mogelijke Oscarnominaties. Met Leaving Las Vegas lijkt hij een soort zenuw geraakt te hebben: “Wat er precies aan de hand is, weet ik ook niet, maar iedereen wil deze film zien. Vaak stemt het publiek voor een bepaalde acteur of actrice, zoals Julia Roberts in Pretty Woman, een film met een vrij banaal verhaaltje. Misschien is het in dit geval net zoiets, en het verhaal van Leaving Las Vegas is beter dan dat van Pretty Woman.”

Op mijn compliment dat Leaving Las Vegas een van de weinige films is die alcoholisme waarheidsgetrouw verbeeldt, wijst Figgis erop dat in Groot-Brittannië het alcoholgebruik onder minderjarigen een veel groter probleem vormt dan drugs: “Er rust een taboe op alcoholisme in film. Het zou te maken kunnen hebben met de wijde verbreiding van de kwaal in de filmwereld. Er zijn heel wat filmjournalisten naar me toe gekomen om te vertellen dat ze zelf een ontwenningskuur gevolgd hadden. Komt er een alcoholist in een film voor, dan wordt altijd de komische kant van zijn gedrag benadrukt”.

Ook de dood lijkt in de huidige Amerikaanse film weinig populair, behalve in stripgeweld of melodramatische sterfscènes. Figgis meent dat het Amerikaanse publiek veel meer aan kan dan Hollywood denkt: “Die koudwatervrees wordt veroorzaakt door het comité-systeem in Hollywood, waar mensen met een lage intelligentie en een slecht ontwikkeld esthetisch gevoel nagenoeg de hele mondiale filmproduktie controleren. Hun normen weerspiegelen het low-brow puritanisme in hun eigen gemeenschap. Als in een soort van Invasion of the Body Snatchers is Hollywood de laatste twintig jaar overgenomen door laag ontwikkelde elementen. Er wordt veel gesproken over de joodse invloed, bijvoorbeeld door de Engelse schrijver William Cash, die een opruiend artikel heeft geschreven tegen wat hij noemt 'de joodse Cabal' in Hollywood, maar dat zijn complete nonsens. Er is altijd een sterke joodse invloed geweest. Het enige probleem is dat het van high-brow-joods naar low-brow-joods is getransformeerd, en die constatering is niet racistisch. Ik zou wensen dat we terug konden keren naar de tijd dat de Europese ballingen een sterke invloed uitoefenden in Hollywood. Nu houdt het systeem zichzelf in stand, omdat de bioscopen vol zitten, wat je er ook voor rotzooi dumpt.”

Liever dan een discussie aan te gaan over het culturele gehalte van de eerste Hollywood-moguls als Louis B. Mayer en de gebroeders Warner, vraag ik Figgis schielijk naar de romantische invloed op de meeste van zijn, contemporaine, films, waarvan een zelfs Liebestraum heette: “De late negentiende eeuw is inderdaad een belangrijke inspiratie. Romantiek is voor mij geen sentimentaliteit, wat me erin aanspreekt is het idee dat moed en stoïcisme nobel zijn, het spirituele belang van liefde en het permanente streven naar meer diepte in een liefdesrelatie. Je kunt de personages in Leaving Las Vegas bijna 'gothic' noemen, let maar eens op de hoogte van de wenkbrauwen van Nicolas Cage en het edele van zijn gevoelens. Ik heb de hoofdpersonen ook vergeleken met Scott en Zelda Fitzgerald, via romantische science fiction gedropt in het harde milieu van de jaren negentig in Las Vegas. Ze horen niet in deze egoïstische en ambitieuze tijd, waarin je alleen maar aan jezelf kunt denken”.

Figgis noemt zijn film eerder 'donker' dan 'somber' en refereert aan de schilderijen van Edvard Munch en aan een uitspraak van de oorlogsfotograaf Donald McCallum: “Als ik mijn foto's niet zo donker afdrukte, hoe zou je dan kunnen zien waar het licht is”. Dat streven naar het licht in de complete duisternis meende de regisseur ook in het oorspronkelijke boek aan te treffen: “O'Brien spaarde zichzelf niet. In mijn scenariobewerking heb ik de tekst volledig uit elkaar gehaald en de meest nihilistische passages afgezwakt. O'Brien werd maar 35. Hij was een gewone Amerikaanse jongen uit Ohio die van Bob Dylan hield en naar Los Angeles kwam om scenario's te schrijven. Daar ging hij zonnebrillen dragen, op Lee Harvey Oswald lijken en dronk hij zich bij vlagen in een delirium. Zijn alcoholverslaving was cyclisch, niet constant en chemisch. Ik denk eigenlijk dat hij manisch-depressief was”.

In Las Vegas was Figgis nooit geweest vóór de opnamen van de film, die overigens in maar enkele dagen op straat is opgenomen. De interieurs werden gevonden in een nabij gelegen nieuw gokstadje aan de overkant van de Coloradorivier, Laughlin: “Ik kende Vegas zo'n beetje als iedereen die wel eens iets van Norman Mailer gelezen heeft, of een paar films met Dean Martin gezien, kennis genomen heeft van literaire essays en veel sterke verhalen. Mijn indruk bleek geheel verkeerd. Ik had verwacht er een stel heel slechte, sexy vrouwen aan te treffen, die me me zouden laten voelen als een schooljongen in een striptent. Ik had verwacht dat het gokken de geur van opwinding zou veroorzaken, met grote spelers, en misschien ergens geheime plaatsen waar je niet in mag, omdat er heel grote bedragen omgaan. Niets was minder waar.

“Het is alsof Las Vegas uitgevonden werd om een verschrikkelijk vulgaire behoefte in de cultuur te vervullen. Heel dikke mensen lopen er rond, je ziet dat hun voeten pijn doen. De afstanden zijn te klein voor taxi's, dus moeten ze steeds heen en weer over de Strip. Dat is alles wat ze doen: honderden mensen in beweging, dikke, vermoeide, ongelukkige mensen die hun gezin met zich meeslepen. Het eten is goedkoop en gesubsidieerd, veel, maar slecht van kwaliteit: enorme steaks met friet voor drie dollar. Als je eenmaal aan het gokken bent, is de drank gratis. De casino's zijn zo groot als de hal van Schiphol, met zo veel mogelijk automaten. De tafels zijn bijzaak, alles draait om de machines. Er is weinig luxe of service in de hotels, want de bedoeling is dat je zo veel mogelijk tijd in de casino's doorbrengt. Elk uur wordt er verse zuurstof in gepompt. De serveersters zien er uit als vermoeide stewardessen, oud genoeg om grootmoeder te zijn, het is een deprimerende ervaring”.

Over de andere recent in Las Vegas opgenomen speelfilms hoorde Figgis pas toen hij toestemming aanvroeg om ter plaatse te draaien. Verhoeven, Scorsese en Figgis lijken elk Las Vegas te hebben benut als een ideale spiegel voor hun eigen obsessies, respectievelijk het opportunisme, het Shakespeareaanse familieverraad en de romantische liefde. Over de resultaten van zijn collega's Martin Scorsese en Paul Verhoeven is Figgis matig tevreden: “Casino is te lang. Het lijkt op GoodFellas, maar dan minder goed en origineel. Het gebruik van muziek en techniek is overweldigend, ik heb genoten van elke minuut, maar als totaal is het toch geen succes. Sharon Stone, die ik meestal goed vind, gaat bij Scorsese ineens precieus acteren: je merkt dat zij zich ervan bewust was met een groot regisseur te werken. Robert De Niro en Joe Pesci zijn vlekkeloos, maar het geweld vond ik onnodig hard. Pesci wordt bijna een parodie op zichzelf als hij een balpenmoord pleegt. En ja, dat bloot leggen van het mechanisme dat alles om het geld draait in Vegas, dat weten we wel. Het verhaal werd onnodig ingewikkeld door steeds alles erbij te halen. We weten heus wel dat Vegas niet gebouwd is als filiaal van de katholieke kerk.”

Figgis meent dat Casino ook in Brooklyn gemaakt had kunnen zijn: “De film behandelt alleen de uiterlijke aspecten van de omgeving. Bij elk shot van Casino dacht ik: dat kost meer dan mijn hele film. Ik wilde een politiek 'statement' afleggen, dat het mogelijk was voor 3,5 miljoen dollar een film te maken. Scorsese heeft 48 songs op de credits, een liedje van The Rolling Stones gebruiken kost minimaal 60.000 dollar. Mij kostte het geen enkele moeite om binnen het budget te blijven, alleen op de muziekrechten heb ik hier en daar wat moeten afknijpen”. Volgens de regisseur nam Nicolas Cage genoegen met een honorarium van 100.000 dollar in plaats van de gebruikelijke vijf miljoen. En een percentage van de opbrenst, waardoor hij zijn normale gage toch nog binnen gaat halen. Figgis had heel veel acteurs van tussen de 35 en de 55 overwogen voor de hoofdrol: Dennis Quaid, die te charmant was, Mickey Rourke, Richard Gere en ook Engelsen die voor Amerikanen kunnen doorgaan als Gary Oldman en Daniel Day Lewis: “Maar als in een spiritistische seance bleef de wijzer steeds maar uitkomen bij Cage. Hij ging binnen twee dagen na het ontvangen van het script akkoord”.

En wat vindt Figgis van Showgirls?: “Ik was bereid ervan te genieten als een hommage aan Russ Meyer (een barokke pornofilmer-HB), maar op andere momenten leek het weer een documentaire. Een goede manier om de film te maken, voor veel minder geld, zou zijn om een stel cameralieden met een Betacam te vragen om gedurende een half jaar to shoot the shit out of back stage. De 'sleaze' van de striptenten in Vegas is een fascinerend en filmisch onderwerp, maar het acteren was slecht. Ik vind Verhoeven een heel interessante regisseur, die zich een keer heeft vergist, zoals we allemaal wel eens doen”.

Zou Figgis gezien zijn huidige succes nu bij een volgende Amerikaanse film volledige controle kunnen bedingen? “Niemand in Hollywood heeft volledige controle. Het hoogste wat je bereiken kunt als regisseur is final cut, de eindbeslissing over de montage. Het liefste zou ik een positie bereiken als die van Woody Allen, waarbij de regisseur de mogelijkheid krijgt om elk jaar in volledige vrijheid een nieuwe film te maken, mits hij een budget van zo'n tien miljoen dollar niet overschrijdt. Zonder dure acteurs hoeft een film niet meer te kosten dan acht miljoen, ik kan er morgen zo weer een maken voor drie en een half. Maar dat vinden de studio's bedreigend.

Ik had laatst een bespreking bij Columbia voor een project over de mode-industrie. Daar zit dan een vrij hoge functionaris, laten we zeggen de 'senior vice-president in charge of production' met vier jonge 'executives'. Er zijn al zes versies van het scenario geweest en het budget wordt geschat op twintig miljoen. Toen ik zei dat ik het voor de helft kon maken, keken ze ineens allemaal erg bezorgd. Het was niet nodig, want onder de 25 is sowieso low-budget en dan houdt de studio altijd enige afstand tot de artistieke vrijheid. Nee, nee, ik bedoelde dat ik dacht dat de film béter zou worden voor tien miljoen. De gruwel op hun gezicht verraadde dat ze bang waren dat die werkwijze wel eens hun eigen beloning en overbodigheid aan de kaak zou kunnen stellen. Korte tijd later bleek dat ik de opdracht niet kreeg, omdat ik niet het vereiste gevoel voor humor had. Ze bedoelen dat ik er geen slapstick-komedie van gemaakt zou hebben, want dat is wat Hollywood onder humor verstaat'

    • Hans Beerekamp