Café-mythes

De kroegen. Mijn sterkste mannejaren bracht ik door in de Jordaan. Ik was daar terechtgekomen omdat er elders in Amsterdam geen huis voor mij was, en ik wilde graag iets anders, na een nette flat in Rotterdam. Het werd een etage in een laag krot, drie kamertjes feestelijk bijeengevoegd, zomaar, pats, middenin de meest bezongen volksbuurt van het land. Ik was, op m'n veertigste, natuurlijk een ervaren bewoner, van Rotterdam-West, Rotterdam-Blijdorp, Rotterdam-Centrum, werkkampen in Straatsburg en Heidelberg, een huis op het Griekse eiland Aegina, een jaar lang. Ik had in café's en restaurants gezeten. Ervaren genoeg. Maar mijn kroegleven begon bij veertig. Het duurde tien jaar.

Soms lijkt het of een schrijver een onderwerp heeft geclaimd. Hij kan het niet helpen. Zo gaat het. Wie over zijn gereformeerde kindertijd vertelt, wordt vergeleken met Maarten 't Hart, wie over dementie schrijft met J. Bernlef, wie het over kroeglopen heeft met S. Carmiggelt. Op den duur ga je twijfelen aan jezelf. Zouden wij het Nederlandse landschap mooi vinden als we het niet op zeventiende-eeuwse schilderijen hadden zien verbeeld? Zouden we het interessant vinden in een kroeg als we Carmiggelt niet hadden gelezen? Ik wilde tijdens mijn kroegjaren getuigen van mijn kroegliefde, in stukjes en verhalen, en soms hoorde ik lezers prevelen: 'Carmiggelt, epigoon van Carmiggelt'. Ik nam een beslissing. In al mijn kroegscènes nam ik een verwijzing naar Carmiggelt op. Of het om typetjes, lichtval, taal ging, het donderde niet. Als de naam van de Kroegmeester maar genoemd werd. Het woord 'kroeg' is eigenlijk te hard of te romantisch voor de huiskamers vol zonderlingen, waarover Carmiggelt schrijft. Hij heeft het over buurtcafé's. Uit oude angst meld ik dat ik hem zeer bewonder. Hij is de Hildebrand van het café, een nuchtere observator van eigen en andermans dronkenschap. Melancholie, berusting, troost van bierwalm en gewauwel, en telkens het mooie vlammetje van de anekdote.

Er is een andere benadering mogelijk. De anekdote over het gebit van malle Johan, het moeilijke bon-mot van oom Toon, zo vaak in herinnering gebracht, ontstijgen de tijdelijkheid, zijn niet meer te situeren in enig jaar voor of na de oorlog, raken bovendien verward in lotgevallen van schele Japie en zatte Marie, allang dood, worden geschikt in één verhaal, mooi en duister. Wat zomaar een grove grap, een tragische levensloop, een incident was, vindt zijn bestemming in de mythe.

Mykene! Thebe! De Antwerpenaar Paul Verhuyck verwees niet naar de Griekse oudheid in zijn roman De doodbieren, en de kroeg waarover hij het heeft, 'Het Blazoen van Blasius' wordt niet bezocht door Orestes of Oedipus. Verhuyck is in zijn kopieerlust des dagelijksen levens helder als Hildebrand, en toch is er Homerus in zijn woeste kroegverbeelding.

Zijn landgenoot Bart Plouvier weifelt in zijn roman Het gelag. Hij zou de liederlijke kroeg die hij beschrijft en die hij liefheeft graag onderbrengen in de mythologie en de heftige eigenares tot een heldin of halfgodin maken. Hij heeft iets te veel gezond verstand.

Dit zijn boeken van de laatste jaren. In ons noorden is er Kees van Beijnum met Dichter op de Zeedijk. De roman heeft alles te danken aan de figuur van Van Beijnums grootmoeder, kroegbazin in Amsterdam rosse buurt, met om zich heen klanten die zich aan haar onderschikken. Zij werd door haar kleinzoon net niet de mythologie binnengeleid. Het scheelde weinig. Ik heb trouwens gezien hoe een mythe ontstaat. Vele jaren geleden bezocht ik een paar weken lang een wijnkroeg op het eiland Samos, zonder Grieks te kennen, en werd in allerlei talen ingelicht over de verhalen van de kroegbaas. Hij had het, luid lachend, steeds over zijn vrouw (Madame, very fat) en haar eetgewoonten.

In mijn kroegjaren ging ik iedere avond laat, om half twaalf, voor een uur naar café Rooie Nelis, en zou Hildebrand en Homerus willen zijn om erover te schrijven. Op kalme avonden zat ik aan de bar en praatte met 'Jonge Sien', die over de gebeurtenissen van de dag vertelde en verklaarde waarover een ruzie ging. Een felle, intelligente vrouw, mooi, sterk, beroemd om haar hoge blonde haardos, Jordaanse van geboorte, cultuur, overtuiging. Toen zij zestig was, in 1987, kreeg zij een beroerte, herstelde, maakte notities over haar leven. Er is een boek van gekomen: De kies van Rooie Nelis en andere verhalen van Blonde Sien. Opgetekend door Karel Eykman. Het is in opdracht van Café Rooie Nelis, Laurierstraat 101, Amsterdam, uitgegeven door Jan Mets. Een boek met foto's en anekdotes, voor oude en nieuwe klanten en voor verzamelaars van de Jordaanfolklore.

Ik heb het blij gelezen en miste de mythe. Zullen oude Sien, jonge Sien, zwarte Gerrit personages worden in een verhaal dat buiten de tijd raakt? Rooie Nelis zelf, de dronken oplichter, allang dood, is er dank zij zijn dochter in geslaagd legendarisch te worden.

Dit is het huichelachtigste stuk dat ik ooit heb geschreven. Ik stel me aan, ik wend eruditie voor. En ik heb zo'n heimwee naar die sterke mannejaren waarin ik kroegliep, uit nieuwsgierigheid, sympathie, levenslust en een dronken drift naar ondergang.