beroepsgeheim is strafbaar

Een Leidse student is meer dan tweehonderd dagen in voorlopige hechtenis geweest op grond van de verklaring van zijn psychotherapeute. Hij zou haar in de loop van zijn behandeling gezegd hebben dat hij zijn moeder heeft gedood. In hoger beroep is hij in vrijheid gesteld.

De psychotherapeute is lid van het Nederlands Instituut voor Psychologen, waarvan de gedragscode luidt dat nimmer zonder toestemming van de patiënt mededelingen aan derden mogen worden gedaan. Ook als dit niet in de gedragscode had gestaan, zou de psychotherapeute geen mededelingen aan politie en justitie hebben mogen doen.

Het beroepsgeheim van behandelende medici en psychologen en, onder omstandigheden, van maatschappelijk werkers, dient niet alleen ter bescherming van de patiënt maar ook van het beroep van de medicus en de therapeut. Juist omwille van de therapeutische behandeling is het van belang dat hier vrijuit gesproken kan worden. Daarom hebben medici en psychologen een verschoningsrecht, dat wil zeggen dat zij kunnen ontkomen aan de plicht tot getuigen in rechte, op grond van hun beroepsgeheim.

Schending van het beroepsgeheim is bovendien door de wet strafbaar gesteld (artikel 272 Wetboek van strafrecht), waarbij de Hoge Raad nog eens heeft uiteengezet dat de bedoeling van het beroepsgeheim is dat de toevertrouwde informatie 'zelfs niet ter kennis van de rechter wordt gebracht'.

De rechter heeft de verklaring van de therapeute niet alleen als belangrijk bewijsmiddel gebruikt, de rechter heeft zelfs aanvaard dat de psychotherapeute haar verklaring anoniem gaf. Tot bescherming van haar beroep? Maar daartoe dient het verschoningsrecht! Als zij niettemin getuigt, is het voor al haar huidige en toekomstige patiënten van belang te weten dat hun psychotherapeut met de haar toevertrouwde gegevens naar politie en justitie kan lopen. Haar identiteit lijkt mij trouwens van belang jegens haar collegae die zich wel aan hun beroepsgeheim houden. Opheffing van de anonimiteit dient hier een maatschappelijk belang.

Het verweer van de therapeute dat zij bang was voor haar patiënt, snijdt geen hout. Wie bang is minder patiënten te krijgen, moet zich aan het beroepsgeheim houden. Wie bang is voor de patiënt, verwijst deze of beëindigt de therapeutische relatie. Ook op angst dient in het beroep professioneel gereageerd te worden.

Mag de rechter zo'n getuigenverklaring tot bewijs laten dienen of is hier sprake van onrechtmatig verkregen bewijs? Er valt veel te zeggen voor het laatste. Het valt niet makkelijk in te zien dat de politiële inkijkoperatie bij de mafia tot onwettig verkregen bewijs zou leiden, terwijl de psychotherapeutische inkijkoperatie met schending van het beroepsgeheim tot wettig en overtuigend bewijs leidt. Terwijl men zich via een parlementaire enquête beraadt of de mafia wel via onze strafprocessuele regels wordt opgespoord, ging een Leidse student via een strafbare schending van het beroepsgeheim achter de tralies.

Daar komt een belangrijk inhoudelijk argument bij. Een psychologische waarheid is geen juridische waarheid. Als een jongeman in de loop van zijn therapeutische behandeling in een psychologische fase komt waarin hij schuldgevoelens of agressie jegens zijn ouders vertoont of zegt de een of de ander te willen doden of te hebben gedood, dan dienen deze expressies alleen de therapie en de psychologische werkelijkheid van dat moment. Deze expressies behoren tot de therapeutische sessie en alleen in dat kader kunnen zij worden geïnterpreteerd. Emotionele expressies zijn geen juridische verklaringen.

Het onderscheid tussen de psychologische en de juridische waarheid is de laatste tijd geen gemeengoed voor iedere rechter. Aan psychologen wordt tegenwoordig door rechters gevraagd bijdragen te leveren aan de juridische bewijsvoering. Er zijn door verklaringen van psychologen mensenlevens verwoest, als pas in hoger beroep werd ontdekt dat de juridische waarheid een andere was dan de psychologische.

Door het tuchtcollege van het Nederlands Instituut voor Psychologen, College van Toezicht genaamd, werd een hoogleraar in de psychologie en zogenaamde incestdeskundige reeds veroordeeld op grond van wetenschappelijk onverantwoorde rapportage en onverantwoordelijke oordelen die door de rechter in eerste aanleg als bewijsmiddel werden gebruikt. Maar ook als psychotherapeuten wetenschappelijk verantwoord te werk gaan, kan het niet zijn dat zij, op grond van hun wetenschap of beroep, de basis leveren van het juridisch bewijs.

Toen professor Pieter Baan destijds door de president van de rechtbank gevraagd werd of dokter O. te Berkel de moord op Arie Lodder kon hebben gepleegd, antwoordde Baan: “U, meneer de president, kon de moord hebben gepleegd. Maar u mag mij als psychiater geen vragen stellen die dienen tot het juridisch bewijs.”

    • G.P. Hoefnagels