Als een tweede pink aan de hand; De vormenzwerftocht van Bruno Schulz

Bruno Schulz: Verzameld werk. Vert. Gerard Rasch. Uitg. Meulenhoff, 443 blz. Prijs ƒ 100,-

In 1942 werd de Pools-joodse schrijver en graficus Bruno Schulz, vijftig jaar oud, in zijn woonplaats Drohobycz door de Gestapo doodgeschoten. Hij liet maar een klein oeuvre na: wat prenten en tekeningen, twee verhalenbundels, De kaneelwinkels en Sanatorium Clepsydra; en dan nog wat los verschenen verhalen en essays.

Pas in de jaren zestig werden zijn geschriften vertaald en ook buiten Polen min of meer bekend. Critici kwamen vaak woorden te kort om zijn lof te zingen, maar bij het grote publiek sloeg zijn werk niet aan. Ook een eerste Nederlandse editie, een jaar of vijftien geleden, verdween snel in de ramsj.

Gelukkig heeft Schulz' uitgeverij Meulenhoff besloten de Nederlandse lezer een nieuwe kans te geven. Verzameld werk, Meulenhoffs jubileumeditie - de uitgeverij bestaat honderd jaar - bevat al zijn verhalen, plus een paar heldere essayistische stukken waarin hij over zijn werkwijze en literatuuropvatting spreekt.

Voor mij is Bruno Schulz lezen zoiets als luisteren naar Bach of Messiaen. De bodem van mijn bestaan raakt in trilling, ik kan het niet anders uitdrukken. Dus vind ik het onbegrijpelijk dat hij niet méér gelezen wordt: iederéén die van literatuur houdt, of alleen maar een beetje gevoel voor taal heeft, kan toch niet anders dan diep getroffen worden door het werk van Schulz? Goed, misschien moeten bij een eerste kennismaking de ogen even wennen. De stijl is namelijk barok en overdadig, vol adjectieven, synesthesieën, personificaties en beeldstapelingen. In handen van onbevoegden wordt zo'n stijl doelloos sensitief geneuzel. Maar bij Schulz voert elk adjectief de lezer dieper in de toverwereld waar de schrijver hem hebben wil, elk beeld is godsgloeiend raak.

'Van de kou en verveling verhardden de dagen, als broden van vorig jaar. Je sneed ze zonder eetlust aan, met een luie slaperigheid.'

Wie de verhalen oppervlakkig leest vindt ze misschien te wild, ergert zich mogelijk aan de eindeloze stroom kleurrijke transformaties. Ja, het is waar: de vader van de verteller (in haast alle verhalen een centrale figuur) verandert nu eens in een kakkerlak, dan in een vogel, in een soort kreeft, is op verschillende plaatsen tegelijk... een tante verbrandt tot as tijdens een woedeaanval, een oom wordt zelfs als elektrische bel door het hele huis aangelegd... men zou haast denken dat Schulz een vertegenwoordiger van het surrealisme is. Maar met die weinig boeiende kunststroming heeft hij niets uitstaande. Zijn metamorfoses, urgent en natuurlijk, zijn bedoeld om de werkelijkheid te laten zien in een ware, maar vergeten gedaante. Bruno Schulz is dus eerder een realist; alleen schrijft hij vanuit een ander begrip van de werkelijkheid dan zijn collega's. Prachtschrijvers als Nabokov of Jean Lorrain hebben een vergelijkbaar talent voor uitbeelden en oproepen; maar hun wereldbeeld is conventioneler, daarom treffen ze niet zo totaal en blijvend als hij.

Maar waarin zit hem dat 'andere' van Schulz' realiteit?

Zeer vroeg in ons leven overtuigt iets ons ervan dat er twee werelden bestaan, een buiten, een binnen. Buiten, daar zijn harde feiten, natuurverschijnselen, daar zijn ook de andere mensen. Elke seconde duurt er even lang. In de binnenwereld zijn we alleen met onze gedachten en gevoelens. De tijd doet de vreemdste dingen, een minuut kan een dag duren, een dag een ogenblik.

Ongetwijfeld bestaan er voor deze tweedeling natuurlijke oorzaken en praktische redenen. Maar bij existentiële zingevingsvragen laat het schema ons in de steek. Dan voelen we ons in onze binnenwereld eenzaam en verloren. En de buitenwereld, die enorme ruimte waar we niet zijn, drijft in zijn onverschillig bestaan de spot met ons.

Bruno Schulz' werkelijkheid is die van voor het onderscheid. Hij brengt ons terug naar de beleving van onze vroegste kindertijd: 'Dit gebeurde heel vroeger. Moeder was er toen nog niet. Ik bracht de dagen alleen met vader door, in onze kamer die de hele wereld was.

De prismatische kristallen die aan de lamp hingen vulden de kamer met een diffuus koloriet, een regenboog die in de hoeken uiteenspatte, en wanneer de lamp aan haar kettingen ging ronddraaien, bewoog de hele kamer in fragmenten van de regenboog, alsof de sferen van de zeven planeten cirkelsgewijze door elkaar schoven. Ik hield ervan tussen vaders benen te staan, met mijn armen eromheen als zuilen. Soms schreef hij brieven. Ik zat op zijn bureau en volgde enthousiast de krullen van zijn handtekening, ingewikkeld en wervelend als de trillers van een coloratuurzanger. In het behang botten glimlachjes uit, werden ogen uitgeprikt, apepotsen uitgehaald.

Zo was het toch, ooit? Dromen, emoties en gebeurtenissen waren vrij uitwisselbaar, eenzelfde vitaliteit bruiste door alle dingen.'

Nu zou deze passage op het eerste gezicht nog wel afkomstig kunnen zijn uit 'gewone' literatuur, bijvoorbeeld uit Nabokovs Geheugen, spreek! (al zou de ingewikkelde planetenvergelijking in dat geval als fout tegen de kinderlijkheid moeten gelden). Maar dan zou het een herinnering van een volwassen verteller zijn, terugkijken naar iets dat verlaten en verloren is. Ach ja, die magische kindertijd! Weet je nog wel, oudje?

Bij Bruno Schulz is zo'n verteller die de herinneringen hun plaats wijst, nergens te bekennen. Hij begint een verhaal doodgemoedereerd met: 'Ieder weet dat in de reeks van gewone, normale jaren de zonderlinge tijd uit zijn schoot soms andere jaren baart, bijzondere jaren, ontaarde jaren waaraan - als een tweede pink aan de hand - ergens een dertiende maand, een onechte maand groeit.' O ja? Wisten wij dat? Maar Schulz aanvaardt de binnen-buiten dichotomie niet, daarom valt in zijn universum geen onderscheid tussen 'fantasie' en 'feiten' te maken. De door hemzelf vervaardigde illustraties bij zijn proza tonen zijn ik-verteller vaak als een kind met een herenhoed op, klein en oud tegelijk.

Geniale tijd

Zo helpt Schulz zijn lezer bij wat hij zelf als ideaal formuleert: te 'rijpen naar de kindertijd', de wereld van voor de tweeheid. Door terug te keren naar dat 'geniale tijdperk', leren we de werkelijkheid onder andere, wezenlijker aspecten zien: 'De substantie van die werkelijkheid', schrijft hij in een brief, 'bevindt zich in een toestand van voortdurende gisting, ontkieming, verborgen leven. Er bestaan geen dode, vaste, begrensde voorwerpen. (-) De werkelijkheid neemt bepaalde gedaanten aan alleen voor de schijn, voor de grap, voor de lol. Iemand is een mens, iemand anders een kakkerlak, maar die gedaante gaat niet terug op het wezen, is slechts een voor een moment aangenomen rol, slechts een opperhuid die dadelijk wordt afgeworpen. (-) Deze zwerftocht van vormen is de essentie van het leven.'

Bij alle schijnbare grilligheid volgen de verhalen in dit Verzameld werk eigenlijk een strak programma: stuk voor stuk zijn het bewuste en uitgekiende demonstraties van deze vormenzwerftocht. We hoeven ons aan Schulz' kinderhand maar te laten meevoeren door die onnoemelijk rijke wereld van metamorfoses, echter dan de realiteit waarin we plegen te geloven.