Vernuft moet beloond

Of een hoogleraar slecht, matig of brilliant is, of een onderzoeksgroep goede of waardeloze publikaties aflevert: bij de vraag hoeveel geld vakgroepen kregen speelde het lange tijd nauwelijks een rol. Tot voor kort letten universiteiten bij de verdeling van onderzoeksgeld maar weinig op kwaliteit. Ze verdeelden de middelen naar studentenaantallen, en naar de hoeveelheid personeel. Daarmee kon het gebeuren dat 'luie' groepen mochten uitbreiden, terwijl geniale collega's krimp wachtte.

Inmiddels proberen faculteiten onder druk van de overheid kwalitatief goede groepen extra te belonen. Dat leidt tot veel discussie, want hoe bepaal je de kwaliteit van onderzoek? Een makkelijk te hanteren criterium, door de TU Delft onlangs formeel geïntroduceerd, is het aantal wetenschappelijke publikaties. Hoe meer publikaties, zo is de veronderstelling, hoe beter en produktiever de groep. Een aanvullend criterium, twee jaar geleden door de Landbouwuniversiteit Wageningen gehanteerd, is het aantal citaties in internationaal wetenschappelijke tijdschriften. De ratio hierachter is dat chemici wier artikelen in chemische tijdschriften vaak worden aangehaald, meer impact hebben dan ontwikkelingsbiologen die in ontwikkelingsbiologische tijdschriften nooit worden geciteerd. Als deze groepen bovendien door externe beoordelaars als 'goed' worden aangemerkt, krijgen ze een 'bonus'.

Niet iedereen vindt dit tellen van wetenschappelijke publikaties en citaties rechtvaardig. Waar het voor scheikundigen en natuurkundigen gewoon is om zich middels wetenschappelijke, Engelstalige publikaties te profileren, is dat voor andere disciplines minder het geval. Zo publiceren plantentaxonomen monografieën waarnaar zelden wordt verwezen, belangrijke filosofen schrijven boeken, onderwijskundigen hebben hun eigen Nederlandstalige vakbladen en beleidskundigen schrijven rapporten.

Ook voor technologen geldt dat hun betekenis niet altijd via wetenschappelijke publikaties en citaties is te achterhalen. De Stichting voor de Technische Wetenschappen (STW) benadrukt dat universiteiten technisch-wetenschappelijk onderzoek moeten beoordelen op het vernuft en op de mate waarin de resultaten door gebruikers - handel en industrie - worden toegepast. Beloning naar aantallen wetenschappelijke publikaties en citaties, zonder te letten op de gebruikswaarde van onderzoekresultaten, past volgens haar niet bij de technische wetenschappen.

'Wij geven geld aan onderzoeksgroepen die samenwerken met bedrijven', licht STW-directeur dr. C. le Pair toe. 'Groepen zouden voor die samenwerking gestraft worden als ze alleen werden afgerekend op wetenschappelijke publikaties: vaak is de afspraak dat ze niet alles meteen publiceren. Bovendien kost het overleg en het schrijven van octrooien veel tijd.'

Le Pair acht het tellen van wetenschappelijke publikaties en citaties een waardevol instrument, mits gehanteerd door een commissie van deskundige beoordelaars. Belangrijk, zo vindt hij, is dat beoordelingscommissies gemêleerd zijn samengesteld, met naast 'fundamentele' onderzoekers ook technische. Bovendien moeten de commissies onderzoeksgroepen vragen waarop zij zelf beoordeeld willen worden. Dat mogen van Le Pair ook Nederlandstalige vakpublikaties, technische artefacten, octrooien of wetenschappelijke prijzen zijn.

De technische universiteiten zoeken inmiddels naar betere modellen om kwaliteit te belonen. Delft neemt al octrooien mee in de beoordeling en onderzoekt hoe maatschappelijke relevantie kan worden meegenomen. Dat laatste geldt evenzo voor de Landbouwuniversiteit Wageningen, die onderzoeksgroepen de mogelijkheid wil geven zich voor maximaal vijftig procent te laten beoordelen op maatschappelijke relevantie.

Het verst uitgewerkt zijn de landelijke beoordelingen van de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU), waarvan het de bedoeling is dat de faculteiten ze daadwerkelijk gaan gebruiken. Voor biologie heeft de beoordelingscommissie gekeken naar citaties in wetenschappelijke tijdschriften, en hetzelfde gebeurt voor natuurkunde en scheikunde. Lucht- en ruimtevaarttechniek en economie kijken niet naar aantallen citaties (zo'n analyse is erg duur), maar alleen naar het type publikaties, uitgesplitst in wetenschappelijke en andere publikaties. De kwantitatieve gegevens zijn ondersteunend, zo verzekert projectcoördinator onderzoeksbeoordelingen drs. A.J.L. Verkleij van de VSNU. Bovendien ligt het gebruik niet vast. De commissies, waarin technologen en wetenschappers vertegenwoordigd zijn, vragen de onderzoeksgroepen waarop zij beoordeeld willen worden. Daarna beslissen ze welke kwantitatieve gegevens ze gebruiken. Het kan dus gebeuren dat een universitaire groep internationale wetenschappelijke publikaties en citaties bij de beoordeling niet wil laten meetellen.

    • Marianne Heselmans