Verleden

In 'De wet van het uitdovend verleden' (Wo, 11 januari) wordt ter verklaring van de geconstateerde daling van de collectieve aandacht voor het verleden met de afstand tot dat verleden expliciet gesteld dat het noemen van jaartallen in kranten goeddeels het resultaat is van toevalligheden. Deze aanname is essentieel in de gehypothetiseerde onttakeling van het historisch besef. Is het, echter, wel redelijk te veronderstellen dat het jaar 1531 in principe net zo vermeldenswaardig is als het jaar 1829?

Indien we de omvang van de wereldbevolking als maat beschouwen voor het aantal vermeldenswaardige gebeurtenissen, en vervolgens de gestratificeerde aantallen genoemde jaren normaliseren voor de wereldbevolking in die strata, wordt het aandachtsverval beduidend minder uitgesproken. Normalisering voor dat deel van de wereldbevolking waar we iets zinnings over te zeggen hebben, leidt dan tot een nog rustiger beeld.

We komen nog wat verder als we ons model iets uitbreiden en het aantal vermeldenswaardige gebeurtenissen een functie laten zijn van het produkt van de omvang van de bevolking en de economische en culturele activiteit per hoofd van de bevolking. Op het moment dat een bevolkingsgroep het gevecht om de primaire bestaansvoorwaarden - daar valt in het kader van een specifiek jaar weinig over te schrijven - ontstijgt, ontstaat er ruimte voor meer ontwikkeling en dus meer zaken waar we nu nog aan kunnen refereren.

Het uigebreide model is weliswaar kwalitatief, maar maakt plausibel dat gedurende de laatste paar eeuwen de toename van het aantal vermeldenswaardige gebeurtenissen weer buiten-proportioneel hoger is dan die van de wereldbevolking. Dit verklaart mogelijk ook ten dele het exceptionele collectieve geheugen voor de 20ste eeuw.

    • Rn Dirks