Verlangen in de duisternis

Voorstelling: In de eenzaamheid van de katoenvelden van Bernard-Marie Koltès door Kaaitheater. Vertaling: Patricia de Martelaere; regie: Peter van Kraaij; spel: Frieda Pittoors, Wim van der Grijn. Gezien: 30/1 Felix Meritis Amsterdam. Aldaar t/m 10/2. 28 en 29/2 in Rotterdamse Schouwburg, 1 en 2/3 in Toneelschuur Haarlem.

Het is het uur van de diepste duisternis, het uur 'waarop gewoonlijk de mens en het dier zich wild op elkaar storten'. Het publiek staart als blinde mollen in een zwart gat. Het flauwe schijnsel rechts van het podium is te zwak om iets te kunnen onderscheiden. We moeten vertrouwen op onze oren.

Eerst zijn er voetstappen en zacht knerpend zand. Dan klinken er stemmen, van een man en een vrouw. Hij begint en stelt de regels: zij is de koper, hij de verkoper. De scheidslijn is onzeker, zo zegt hij zelf “want ze bezitten allebei het verlangen en het voorwerp van het verlangen.” Aan haar de taak haar verlangen kenbaar te maken, hij is er “om de afgrond te vullen van het verlangen.”

De in 1989 overleden Franse toneelschrijver Bernard-Marie Koltès, wiens In de eenzaamheid van de katoenvelden door Peter van Kraaij is geregisseerd bij het Brusselse Kaaitheater, schreef in raadselen. Zijn taal is wollig en omslachtig - sommigen noemen het poëtisch - en zijn stukken zijn moeilijk te duiden. Zijn personages praten in vage omtrekkende bewegingen, in eindeloze monologen die nauwelijks concrete aanknopingspunten bieden.

Knap is het daarom dat de enscenering van Peter van Kraaij zo helder begint. We zien niets, maar luisteren doen we des te beter, we kunnen niet anders. En opeens krijgen al die zinnen, door Patricia de Martelaere zo zorgvuldig vertaald, betekenis. Het is alsof je een taal leert verstaan die op papier nog onbegrijpelijk leek.

Later, als het speelvlak langzaam steeds meer wordt belicht en de stemmen gezichten en een lichaam krijgen, kost het meer moeite de 'onderhandelingen' van de klant en de dealer te volgen. De concentratie verslapt nu de ogen ook mee mogen doen. We zien Frieda Pittoors en Wim van der Grijn en op de achtergrond een grote afbeelding van ineengestrengelde handen. Vervolgens glijdt de blik naar de handen van Frieda Pittoors: gehandschoend en ineengeklemd. Haar ogen zijn schuin naar beneden gericht, haar houding is die van een afwerende klant die niet lastig gevallen wil worden door een al te opdringerige handelaar die op afstand om haar heen draait.

Van der Grijn en Pittoors spelen een omzichtig spel van aantrekken en afstoten, nu eens is hij de uitdagende partij, dan weer is zij degene die verleidt. Het is een spel om het spel: er moet onderhandeld worden, de aard van de koopwaar is van geen belang. Van belang is alleen dat ze elkaars afhankelijkheid erkennen: zonder klant geen dealer en andersom. Wat hen bindt is een verlangen - het is een woord dat vaak valt - door de ander verlangd te worden, maar geen van tweeën willen ze zich als eerste gewonnen geven. Toch geven ze in het afzwakkende licht beetje bij beetje toe totdat ze ten slotte kwetsbaar, want allebei zonder jasje, naast elkaar staan.

Het is een mooi opgebouwde voorstelling waarin de onwerkelijke sfeer van het stuk subtiel is opgeroepen met zachte onbestemde geluiden op de achtergrond, een vale belichting en met minimale, enigszins gestileerde actie. De hoofdrol is voor de taal van Koltès die dank zij de grote beheersing van de acteurs vaak levendig klinkt en vol vuur.

    • Noor Hellmann