Van persbericht naar enquête

DEN HAAG, 1 FEBR. De aanzet tot de veertiende parlementaire enquête werd gegeven op 7 december 1993. Toen brachten de Amsterdamse burgemeester Van Thijn, hoofdofficier van justitie Vrakking en korpschef Nordholt een kort persbericht uit. Daarin stond dat het voor de bestrijding van de zware, georganiseerde misdaad opgerichte interregionale rechercheteam (IRT) Noord-Holland/Utrecht was opgeheven wegens een omstreden opsporingsmethode. De onverwachte ontbinding van het IRT had grote gevolgen voor de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit in Nederland.

De Haarlemse politie bleek gebruik te maken van een informant die grote partijen softdrugs importeerde. Om hem te laten 'groeien' in de criminele organisatie liet de politie containers vol verdovende middelen ongemoeid.

De berichten kwamen in de eerste maanden van 1994 druppelsgewijs naar buiten. De Tweede Kamer vroeg opheldering aan de toenmalige ministers Hirsch Ballin (Justitie) en Van Thijn, die nog maar enkele weken op Binnenlandse Zaken zat als opvolger van de overleden minister Dales. Er werd een commissie ingesteld onder leiding van oud-burgemeester H. Wierenga van Enschede, die onderzoek zou doen naar de opheffing van het IRT. Wierenga kwam tot de conclusie dat niet de werkmethode, maar onderlinge twisten tussen openbaar ministerie en de politiekorpsen de voornaamste oorzaak waren geweest. Als schuldigen werden de Amsterdamse politiechefs Nordholt en Van Riessen en de magistraten Vrakking en Van Randwijck aangewezen.

Onder leiding van de Kamerleden Dijkstal (VVD) en Kohnstamm (D66) werden Hirsch Ballin en Van Thijn op 7 april 1994 ter verantwoording geroepen. Hirsch Ballin omdat hij niet op de hoogte was van de buitenwettelijke werkmethoden, Van Thijn wegens zijn rol als korpsbeheerder van de Amsterdamse politie, vóór zijn overstap naar Den Haag. Beiden overleefden het 14 uur durende IRT-debat met de toezegging dat zij 'functioneringsgesprekken' zouden voeren met de verantwoordelijken bij politie en openbaar ministerie. Maar met de Kamerverkiezingen van mei in het vooruitzicht weigerden de ministers maatregelen te nemen. Wel waren er 'indringende en confronterende gesprekken' geweest, zei Van Thijn naderhand. De betrokkenen hadden spijt betuigd en beterschap beloofd en daarmee was de kous af.

In de maanden die volgden kwamen via de pers steeds meer opsporingsmethoden naar buiten waarover in de wet niets was vastgelegd. Zo bleken politiemensen in te breken in loodsen (inkijkoperaties) om te onderzoeken of een officiële huiszoeking succes zou opleveren. De nieuwe Tweede Kamer ging wederom in debat met de twee ministers, die inmiddels demissionair waren. Dijkstal en Kohnstamm vonden dat de bewindslieden incompetent waren gebleken in de afwikkeling van de IRT-affaire en dienden aan het eind van de avond een motie in waarin de facto werd geëist dat Hirsch Ballin zich niet meer met de bestrijding van de misdaad zou bemoeien. Dat werd hem te veel. Hij gooide een dag later de handdoek in de ring, luttele uren later gevolgd door Van Thijn.

Voor de discussie over de toelaatbaarheid van opsporingsmethoden was de IRT-affaire slechts het begin. Voor methoden als afluisteren, inkijken, infiltreren bestond geen wettelijke basis.

De Tweede Kamer wilde eerst inzicht krijgen in de praktijk van het politiële opsporingswerk, zo stond in een aangenomen motie van Dijkstal. Die leidde in de zomer van 1994 tot een onderzoek door een Kamercommissie onder leiding van de PvdA'er Van Traa. De commissie oordeelde enkele maanden later dat er weliswaar veel feiten over het opsporingswerk boven tafel waren gekomen, maar dat een parlementaire enquête een veel betrouwbaarder beeld kon geven van de praktijk.

Na bijna een jaar van onderzoeken en voorgesprekken begonnen op 6 september 1995 de openbare verhoren. Ruim tachtig onderzoekers, politici, ambtenaren en functionarissen van politie en justitie werden door de commissie gehoord.