Tegenwindwagen

Zo heeft iedereen zijn Bartlehiem herinnering. De een denkt aan aerodynamische prestatiekleding, isotonische drankjes en de helicopter van de NOS, de ander aan de tijd dat de Friezen nog geen Hollands verstonden en automobilisten niet wisten wat klunen was. Aan die tocht dat de zon niet op kwam en de wind niet liggen wou. Toen net die strakke maillots waren ingevoerd en toch achter elke bocht in het Harinxma-kanaal weer andere mensen klaar stonden met erwtensoep en chocomel.

Waar dacht je aan als je de Boltsjer Wiede overstampte en de noordooster je de oren van de kop trok? Aan niets, natuurlijk, of hoogstens aan drank en mooie meiden. En dat de billen schuurden, maar dat het uiervet alweer op was. En dat er toch een manier moest zijn om ook uit tegenwind energie te putten.

Een gedachte die je later thuis op de divan niet losliet: moet tegenwind altijd geploeter opleveren of kan het ook anders? Het kan anders werd duidelijk toen het vraagstuk aan de orde kwam in de AW-rubriek. Weliswaar bewezen sommige theoretici dat het onmogelijk is dat een voertuig zonder eigen vermogen recht tegen de wind in bewoog, andere lezers lieten weten dat ze zulke voertuigen gewoon zelf gebouwd hadden. Maar er kwamen geen plaatjes.

Alleen de vliegtuigbouwkundige Aris Roskam uit Strijen stuurde een schets van een 'flapzeiler': een vierwielig personenvoertuig met een vertikale mast die door een in lamellen uitgevoerd 'zeil' in rotatie wordt gebracht en zijn draaiing overbrengt op de achterste wielas. In het wagentje plaatste de ontwerper een dappere bemanning die er met de helm op het hoofd het beste van hoopt. Het werkt, schreef hij en de goedertrouw verbiedt anders te denken. De wens om ook zelf eens een tegenwindwagen te bouwen bleef bestaan.

Het meest voor de hand lag een gewone windmolen op een verrijdbaar onderstel te zetten en de draaiing van de wiekenas op een van de assen van het onderstel over te brengen. Maar de thuistechnicus bouwt niet makkelijk zelf een goed stel wieken en een haakse overbrenging levert in Meccano-uitvoering vaak zware verliezen op. Een aardig alternatief leek de rotor met vertikale as, zoals de Darrieus-rotor. Het voordeel daarvan is dat de windrichtig geen rol meer speelt, maar de nadelen leken groter: er is weer die haakse overbrenging en bovendien is het moeilijk een vertikale as mooi te lageren.

Daarom werd gekozen voor de horizontale rotoras evenwijdig aan de wielassen die op bijgaand plaatje is te zien. Met als 'rotor' een opgerold blad Hema-hobbypapier dat met Velpon op een Hema-limonaderietje is gelijmd en daarna op een as geschoven en met een enkel boutje vastgezet. Rotoras en wielas zijn verbonden door een elastiekje en tussen de assen bestaat een vertraging van 1,5 : 1. Dat werd zo bepaald door de beschikbare poelies.

Eenvoud als kenmerk van het geniale en daarom is het jammer dat de AW1 niet op wind reageert. Niet op mondwind, tenminste, de tijd dat de stofzuiger ook stof kon blazen is voorbij. Zelfs losgekoppeld van de wielas wil de rotor nauwelijks in beweging komen terwijl hij toch een natuurgetrouwe kopie is van de ventilatoren die men op veel koelwagens aantreft. Mogelijk is een detail over het hoofd gezien, moet de rotor groter, de overbrengverhouding anders of het elastiek vervangen. Smeren?

Komt tijd komt raad. Wat ècht werkt is het eenvoudige bootje dat hier ook staat afgebeeld. Het is een ontwerp van de Rotterdamse scheepsbouwkundige Albert Goudriaan, dezelfde die ruim tien jaar geleden de krant haalde met een meer dan manshoge uitvoering van de 'Mini-miney-mo', een volwassen molenschip waarmee hij pal tegen de wind in de Kralingse Plas overstak. Kalm aan lager wal vertrok en aan hoger wal uitstapte zonder de boot vast te leggen. 'Hij maalde zich vanzelf tegen de steiger op.'De Mini-miney-mo heeft Goudriaan vooralsnog alleen binnenshuis geprobeerd, de noodzakelijke wind geleverd door een boortol met propeller. Zodra er meer dan drie Beaufort opstak boven de badkuip gleed het scheepje op de boortol af. In 'Schip en werf' gaf Goudriaan destijds (8 maart 1985) een theoretische onderbouwing aan het tegenwindvaren, samen met een historisch overzicht.

Wat daar ontbrak was de 'Push-me-pull-you' van de ontwerpers Kauffman en Lindahl, afgebeeld in Scientific American van december 1975. De Poesjmiepoeljoe komt tot in detail overeen met de miney-mo, maar vaart achterstevoren tegen de wind in: de waterschroef voor. Niet gek, want dan kan het roer weer achter. Goudriaan heeft het voor.

    • Karel Knip