Statistiek legt het af tegen eigen waarneming

De weergave van maatschappelijke ontwikkelingen wordt gemakkelijk vertroebeld door generaliseringen die veeleer stoelen op eigen ervaringen dan op harde cijfers, aldus Gijs Beets. Overdrijven is menselijk.

Met enige regelmaat zijn er berichten waarin de frequenties van maatschappelijk relevante onderwerpen aan de orde komen. Meestal gaat het de auteur(s) van dergelijke teksten helemaal niet om het vermelden van juiste frequenties, maar toch zou zo veel mogelijk vermeden moeten worden om lezers op een ander spoor te zetten dan het werkelijke.

Zo schreef Rita Kohnstamm onlangs in haar column Witte bruid begint opnieuw dat “veel bruiden tegenwoordig zwanger zijn” en iets verderop nog wat concreter naar aanleiding van het doorbladeren van een fotoboek met trouwjurken, maar dat kan natuurlijk een bewuste selectie zijn: “de helft van het aantal bruiden bevond zich in enig stadium van zwangerschap”(NRC HANDELSBLAD, 30 december). Maar wat is eigenlijk 'veel'?

Eind jaren zeventig/begin jaren tachtig wilde menigeen weten hoeveel bewust ongehuwde moeders, BOM-moeders, er eigenlijk in Nederland waren. Deze vraag kwam van vooral vrouwelijke studenten in de pedagogische of psychologische wetenschappen die hadden besloten hun eindscriptie over BOM-moeders te schrijven. Kennelijk stond het onderwerp hen wel aan. Op grond van bevolkingsstatistieken en steekproefonderzoek kon alleen maar een grove schatting worden gemaakt, te weten maximaal misschien 5.000 in Nederland.

Nog goed herinner ik me de teleurstelling van een studente bij het horen van deze schatting. Iedereen sprak erover en de kranten stonden er bol - ze had een veel hoger aantal verwacht. Toen ik haar vervolgens ook nog vertelde dat ik nauwelijks enige gedetailleerde informatie had over het wel en wee van deze 5.000 BOM-moeders hoorde ik haar scriptie letterlijk in duigen vallen. Aan het eind van zo'n gesprek over statistische gegevens vroeg ik meestal of ik een exemplaar kon ontvangen van de scriptie zodra die voltooid was. Ik heb er nooit één ontvangen.

In dezelfde krant van 30 december staat van de hand van Maarten Huygen ook een bijdrage getiteld Het geheime gezin. Huygen schrijft het plotseling in Nederland weer actueel geworden debat over het gezin toe aan drie decennia anti-gezinsdenken. Dat anti-gezinsdenken stoelde op enkele tendensen in onze samenleving die zeker niet onbelangrijk waren maar qua aantallen bepaald niet alle even betekenisvol, zoals het toenemend ongehuwd samenwonen, de dalende huwelijkssluiting, de toegenomen echtscheiding, het dalend kindertal, de stijgende kinderloosheid, en het stijgend percentage kinderen dat niet in huwelijksverband wordt geboren. Door deze tendensen keer op keer te benadrukken werd de indruk gewekt dat zo ongeveer niemand meer trouwde of kinderen kreeg, en dat zo ongeveer ieder huwelijk door echtscheiding werd ontbonden. Kortom, menigeen verloor het 'meerderheidsgedrag' uit het oog, hoewel het CBS met regelmaat stelde: “de bevolking is nog steeds in hoge mate gericht op gezinsvorming”.

Ook in andere landen doet zich dit verschijnsel van 'gemakkelijk verkeerd generaliseren' voor, en dat kan tot allerlei consequenties leiden. Zo publiceerde bij voorbeeld afgelopen oktober de The Washington Post de uitkomsten van het telefonisch onderzoek Misperceptions about the US population, dat de krant samen met de Kaiser Family Foundation en de Harvard Universiteit in de Verenigde Staten organiseerde. Eén van de meest opmerkelijke uitkomsten was dat de verschillende Amerikaanse bevolkingsgroepen niet alleen een behoorlijk verkeerd beeld hebben van elkaars economische omstandigheden, maar dat zij elkaars omvang ook nauwelijks kennen.

De verschillen logen er niet om en de consequenties al evenmin, want deze mispercepties blijken tot andere attitudes en dus ook tot mogelijk ander gedrag te leiden. Zodra bij voorbeeld de 'most informed' respondenten worden geselecteerd, dat wil zeggen de groep die de juiste antwoorden dus (vrij goed) kent, dan kan men constateren dat zij op een aantal cruciale beleidsterreinen aanzienlijk andere gedachten hebben dan de 'least informed'.

Om een voorbeeld te geven: 82 procent van de 'least informed' denkt dat minderheden zichzelf wel kunnen opwerken zonder hulp van de overheid. Daar staat tegenover dat slechts 41 procent (de helft!) van de 'most informed' dezelfde mening is toegedaan. Als dergelijke verschillen in kennis zich ook in de Amerikaanse volksvertegenwoordiging manifesteren kan dat uiteraard een slok op een borrel in de politieke besluitvorming schelen.

Hoe kan men zich nu zo vergissen? De belangrijkste oorzaak daarvan is - volgens The Washington Post, maar datzelfde is ook wel in Nederlands onderzoek geconstateerd - dat mensen hun antwoorden baseren op hun directe eigen waarnemingen. Ook al worden sommige feiten soms goed in de media weergegeven en had men het juiste antwoord dus kunnen weten, op een zo plotseling moment als een telefonische enquête herinnert men zich dat niet.

Men gaat dan af op de eigen ervaringen: als men vrijwel dagelijks met iets tamelijk uitzonderlijks wordt geconfronteerd, realiseert men zich minder gauw dat een waarneming 'uitzonderlijk' is; als men vrijwel nooit met iets tamelijk uitzonderlijks wordt geconfronteerd, realiseert men zich dat de media erover berichten en dat het dus toch wel zal voorkomen. Gevolg is dat beide groepen 'overdrijven'.

Terug naar de zwangere bruiden. Hoeveel vrouwen bevinden zich tegenwoordig op hun bruiloft 'in enig stadium van zwangerschap'? Het CBS publiceert jaarlijks een tabel waaruit is af te leiden hoeveel vrouwen binnen zeven maanden na huwelijkssluiting van een kind bevallen. Dat blijken er de laatste jaren circa 10.000 te zijn, ofte wel circa 11 procent van alle bruiden. En dat percentage is de afgelopen twintig jaar vrij constant geweest. Alleen de leeftijd van de bruiden is flink veranderd: waren de bruiden begin jaren zeventig net boven de 20 jaar, thans zijn zij ruim 28 jaar. Elf procent, het is maar wat je 'veel' vindt.

    • Gijs Beets