'Politiechefs erkennen gezag van justitie niet'

Uit het eindrapport, hoofdstuk 10, Conclusies en aanbevelingen, paragraaf 6, over de korpsleiding, de ministeries, de minister van justitie en haar ambtenaren:

“De korpsleiding heeft er soms moeite mee het gezag van het openbaar ministerie te aanvaarden. Dat is in ieder geval gebleken in Amsterdam en Utrecht. Korpschefs hebben de afgelopen jaren er te weinig blijk van gegeven zich te realiseren dat zij onder gezag van het OM en het beheer van de korpsbeheerder staan. Zij hebben geen onafhankelijke bevoegdheden en zijn geen zelfstandige regisseurs van het veiligheidsbeleid. Daarbij moet worden aangetekend dat korpsbeheerders en ministers de politiechefs te zeer de vrije hand hebben gelaten.

“In Utrecht en vooral Haarlem heeft de korpsleiding verzuimd op de juiste momenten leiding te geven. De korpsleiding in Utrecht had het gebleken feilen bij het functioneren van de CID (inkijkoperaties) direct aan het OM moeten melden. De korpschef had eerder ertoe kunnen bijdragen om de schade na zijn corruptiebeschulding te herstellen.

“De korpsleiding in Amsterdam had na het verschijnen van het rapport van de commissie-Wierenga meer inspanningen kunnen plegen om te trachten de IRT-strijdbijl te begraven. (...)

“De minister van justitie Hirsch Ballin, blijkt nauwelijks op de hoogte te zijn geweest van het feitelijk gebruik van bijzondere opsporingsmethoden. Ook na de IRT-affaire was het doorlaten van harddrugs hem onbekend. Dat was een onverantwoorde situatie. (...)

“De minister van justitie Sorgdrager, nam op de dag van haar aantreden de verantwoordelijkheid voor de afkoop van een IRT-informant voor het exorbitante bedrag van twee miljoen gulden. Tevoren hebben ministers zich niet met het uitbetalen van tipgeld bemoeid.

“Noch hoofdofficieren noch de procureurs-generaal hebben voor, tijdens of na de IRT-affaire het ministerie ingelicht over bijzondere ontwikkelingen. De ambtelijke top had de minister beter moeten informeren. Naar aanleiding van de verhoren van Suyver en Wooldrik meent de commissie dat dat oordeel vooral geldt voor de opeenvolgende secretarissen-generaal, directeuren-generaal Politie en Criminaliteitsbestrijding en directeuren politie. (...)

“Het is onverantwoord geweest dat na het uitbreken van de IRT-affaire geen actiever beleid is gevoerd om beter geinformeerd te raken. Het oordeel van de commissie-Wierenga over de Delta-methode zal daar zeker debet aan zijn.”