Passages uit het eindrapport; 'Opsporingsmethoden bij wet vastleggen'

Uit het eindrapport, hoofdstuk 10, Conclusies en aanbevelingen, paragraaf 8, over de normering van opsporingsmethoden in het algemeen:

“De commissie wil de opsporing, inclusief de zogenoemde 'proactieve opsporing', een duidelijke plaats geven in de wet en wel in het Wetboek van Strafvordering. Een nieuwe toevoeging aan artikel 1 van dat wetboek dient te bepalen dat de opsporing alleen plaatsvindt op de wijze bij de wet voorzien.

“De commissie heeft overwogen een aparte wet op de opsporing dan wel regeling van bepaalde 'pro-actieve' opsporingsbevoegdheden in de Politiewet voor te stellen. Zij heeft die weg niet gekozen, omdat het begrip opsporing in de ogen van de commissie onlosmakelijk verbonden moet blijven met het ophelderen van strafbare feiten om tot een strafrechtelijke sanctie te komen. (..)

Ook 'pro-actieve opsporing dient een strafvorderlijk doel te hebben. Uitoefening van strafvorderlijke bevoegdheden kan wel tot gevolg hebben dat een criminele organisatie of groep wordt 'ontmanteld', maar het doel blijft oplegging van een strafrechtelijke sanctie. Dat laat onverlet dat ook ander beleid noodzakelijk is om georganiseerde criminaliteit tegen te gaan.

“Naar de mening van de commissie is een deel van de moeilijkheden bij de opsporing gerezen omdat het openbaar ministerie en de politie soms gefixeerd zijn geraakt op 'ontmanteling' van criminele organisaties. Voor een effectieve aanpak van de georganiseerde criminaliteit is het begrip ontmanteling te onbepaald en schept het verwachtingen die niet kunnen worden waargemaakt.

“Het strafrecht dient te worden gehandhaafd. Daarmee verdraagt zich niet de opvatting dat het om het even is of de grote crimineel nu wordt vervolgd, een zware belastingaanslag krijgt of bestuurlijk het leven onmogelijk wordt gemaakt. Sanctionering door het strafrecht, met de daarbij behorende mogelijkheden van ontneming van crimineel vermogen, moet de eerste doelstelling blijven. Dat neemt niet weg dat ook andere instrumenten van belang zijn bij de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit. Het gebruik van gegevens, die door opsporing verkregen zijn, ten behoeve van fiscale, bestuurlijke, en fiscale rechtshandhaving dient aan specifieke regels gebonden te worden. Opsporing moet volgens de commissie een specifiek doel hebben, te weten opheldering van strafbare feiten en zo mogelijk een strafrechtelijke sanctie en niet het vagere en minder omschreven doel ontmantelen.

“Zo lang er criminele markten bestaan, zolang er criminele vraag is, zullen er criminele groepen en organisaties bestaan. Wel wordt hun werk bemoeilijkt en bedreigd met in de eerste plaats strafrechtelijke sancties, die moeten worden toegepast in het kader van de rechtsstaat. Daarnaast moeten de maatschappij en het bestuur zich verzetten tegen corrumperende beïnvloeding door de georganiseerde criminaliteit. Maar dan met bestuurlijke maatregelen en niet met dwangmiddelen die een strafvorderlijk doel hebben.”