Passages uit het eindrapport: 'Ambtenaren spraken te weinig met politieke top'

Uit het eindrapport, hoofdstuk 6, Over infiltratie paragraaf 6, de beoordeling en hoofdstuk 9, Over sturing en controle van de opsporing, paragraaf 6, de beoordeling van de politieke verantwoordelijkheid:

“De commissie is van oordeel dat bij doorlating, met uitzondering van een kleine proefzending softdrugs, geen sprake is van een effectieve en verantwoorde bijdrage aan de bestrijding van criminaliteit. Controle op de partijen verboden goederen als zij eenmaal zijn afgeleverd aan de criminele organisatie is niet meer mogelijk. Het bewust op de markt laten komen van grote hoeveelheden verdovende middelen en andere verboden goederen is onverantwoord. De geloofwaardigheid en de legitimiteit van politie en justitie worden daarmee ondermijnd. De overheid moet niet meewerken aan strafbare feiten die zij moet bestrijden”.

“De commissie constateert dat het ministerie van justitie tot voor kort nauwelijks enige bemoeienis had en wilde hebben met de praktische toepassing van methoden van opsporing. Het ministerie achtte dit de verantwoordelijkheid van het OM. De commissie is van oordeel dat het ministerie van justitie eerder de noodzaak tot normering van methoden en organisatie van opsporing had moeten onderkennen. Indien het ministerie van justitie eerder normering van de methoden en nadere regeling van de organisatie van de opsporing had voorgesteld, waren waarschijnlijk veel problemen voorkomen. De politieke verantwoordelijkheid op centraal niveau voor de normering van de methoden en de organisatie van de opsporing ligt bij de minister en niet bij het OM ”.

“ Het ministerie had naar het oordeel van de commissie voldoende mogelijkheden de problematische situatie, die bleek bij de IRT-affaire te onderkennen. Door de structuur van en de werkwijze op het departement drongen signalen vanuit het veld over de problemen met methoden en organisatie van de opsporing in ontoereikende mate tot de verantwoordelijke bestuurders door. De commissie merkt hierbij op dat de ambtelijke top van het ministerie meermalen in gebreke is gebleven in haar communicatie met de politieke top”.

“De commissie constateert dat het ministerie zich in het verleden vooral heeft beziggehouden met de effectiviteit van de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit. In hoog tempo werden nota's en vergaande wetsvoorstellen naar het parlement gezonden. De commissie is van oordeel dat het ministerie zich in zijn wetgevingsprogramma sterker had moeten richten op een meer algemene normering van de opsporing”.