Passages uit het eindraport; 'Daarmee heeft zij dit dus niet geweten'

Uit het eindrapport, hoofdstuk 6, Het meningsverschil Sorgdrager-Blok:

“Tijdens de verhoren van de commmissie heeft de kwestie zich ook toegespitst op de vraag of ook procureur-generaal Sorgdrager, in functie vanaf 1 januari 1994, van de doorlating van cocaïne geweten heeft. Blok kan zich herinneren dat hij de doorlating met Sorgdrager besproken heeft. Hij heeft dit verklaard op basis van een notitie van 17 januari 1994 van officier Van der Voort. Daarin wordt gesproken over het gebruik van politie-infiltranten om proefzendingen te verzorgen. De notitie handelt niet expliciet over het doorlaten van cocaïne, noch over hoeveelheden. (...) Minister Sorgdrager herinnert zich de inhoud van het gesprek anders. (...)

“Nader onderzoek van de commissie heeft het volgende opgeleverd. (...) Voor het gesprek met Sorgdrager was Blok voorzien van twee notities: de ene, van 17 januari van officier Van der Voort, ging over het gebruik van politie-infiltranten in het afhandelen van twee proefzendingen cocaïne. De andere van 18 januari, behelde een overzicht van de te bespreken punten in de voortgangsrapportage en was in de eerste plaats bestemd voor een eerder gesprek met Hirsch Ballin. Op onnaspeurbare wijze zijn beide notities in de kluis van het parket van de procureur-generaal terecht gekomen. Hoe dat is gebeurd is niet te achterhalen. (...)

“Nadat op 1 februari 1994 in groter gezelschap gesproken is over COPA spreekt Sorgdrager nog alleen na met Blok. (...) Blok denkt dat hij de notitie toen aan Sorgdrager heeft overhandigd. Sorgdrager weet zeker geen notitie van Blok ontvangen te hebben tijdens dat gesprek. (...) Er is geen verschil van mening dat zij gesproken hebben over de rol van ps-ers (pseudo-kopers, of te wel politie-infiltranten) en een geheim traject. (...) Een nadere reconstructie is niet mogelijk. (...) Minister Sorgdrager blijft bij haar eerdere verklaring de zinsnede 'Ik moet wennen aan dit soort partijen' niet gehoord te hebben en nooit gedacht te hebben aan doorlaten van cocaïne. Daarmee heeft zij dit dus niet geweten.

“In algemene zin is duidelijk geworden dat er geen meldingen van deze doorlatingen zijn geweest aan de minister van justitie Hirsch Ballin. Procureur-generaal Addens noch hoofdofficier Blok, zij het vanuit verschillende verantwoordelijkheden, hebben het nodig geoordeeld na te gaan of de minister op de hoogte was en akkoord ging met een geheel nieuwe wijze van opsporing, namelijk het doorlaten van harddrugs. (...). Een dergelijke ingrijpende beslissing had aan de minister gemeld moeten worden en in de vergadering van procureurs-generaal aan de orde had moeten komen. In de toenmalige verhoudingen was dit echter niet gebruikelijk. Pas door de instelling van de Centrale toetsingscommissie en de doorlichting zijn deze trajecten aan het licht gekomen.”