Ministers vooralsnog gespaard

DEN HAAG, 2 FEBR. Het feit dat de enquêtecommissie opsporingsmethoden nalaat een expliciet oordeel te vellen over de bewindslieden van justitie en binnenlandse zaken, D66-minister Sorgdrager en VVD-minister Dijkstal, betekent allerminst dat daarmee het laatste woord is gezegd. Veeleer verschuift de commissie-Van Traa het vonnis naar het plenaire debat in de Tweede Kamer. De politieke spanning blijft daarmee onverminderd in de lucht.

Het eindrapport dat vanochtend, na bijna een jaar onderzoek, werd afgeleverd bij het parlement, geeft de Kamer in potentie de mogelijkheid om de beide bewindslieden die formeel verantwoordelijk zijn voor de opsporingsmethoden hun karwei te laten afmaken. De 'schuld' voor het uit de hand lopen van de misdaadbestrijding en de crisis in de rechtstaat die daarvan het gevolg is, wordt expliciet gelegd bij de vorige (CDA-)minister van justitie, Hirsch Ballin. Hij heeft in plaats van paal en perk te stellen aan alle geheime operaties van het opsporingsapparaat “in hoog tempo nota's en vérgaande wetsvoorstellen naar het parlement gezonden”, zo stelt de commissie-Van Traa. Het oordeel over Hirsch Ballin, die twee jaar geleden ten gevolge van de IRT-affaire aftrad, laat niets aan duidelijkheid te wensen over: hij heeft “een onverantwoorde situatie” laten ontstaan.

De formele verantwoordelijkheid van de huidige D66-minister Sorgdrager (justitie) of van haar VVD-collega Dijkstal (binnelandse zaken) wordt verder ingebed in de brede constatering dat “de overheid hier tekort is geschoten”. Als verzachtende omstandigheid kan ook dienen dat de commissie-Van Traa van oordeel is dat de Tweede Kamer zelf meer aandacht had moeten besteden aan de normering van opsporingsmethoden.

Toch levert het rapport genoeg munitie aan de Kamer om het de beide politieministers niet makkelijk te maken. Zo is opmerkelijk dat de commissie-Van Traa de medeverantwoordelijkheid van het departement van Binnenlandse Zaken accentueert. In eerdere debatten over de IRT-affaire werd steeds door alle partijen het justitiële gezag over de opsporing als uitgangspunt genomen bij de beoordeling. De commissie-Van Traa schrijft echter dat “een misverstand is” te denken dat de bestrijding van de georganiseerde misdaad het “exclusieve domein” is van Justitie. Dijkstal heeft door zijn opmerkelijke afzijdigheid in de kwestie rond de gouden handdruk voor de Amsterdamse procureur-generaal Van Randwijck, toen hij weigerde namens zijn afwezige justitie-collega een brief hierover te ondertekenen, de indruk gewekt schone handen te willen houden. De commissie merkt nu over het ministerie van Binnenlandse Zaken op dat dit departement “voldoende mogelijkheden heeft zijn beheersverantwoordelijkheid te doen gelden bij het bepalen van de kaders waarbinnen de politie opsporingsmethoden toepast”. Maar zo stelt de commissie: “Dit is onvoldoende gebeurd.” De Kamer mag nu oordelen in hoeverre zij dit Dijkstal euvel duidt.

Zeker is wel dat de positie van Dijkstal, die bovendien vice-premier is, daarbij een stuk sterker zal zijn dan die van zijn ambtgenoot Sorgdrager. Deze bewindsvrouw gold een half jaar geleden nog als een van de potentiële opvolgers van haar partijleider Van Mierlo. Inmiddels is zij slachtoffer van afbladderingsverschijnselen. Ten gevolge van de storm van kritiek die zij te verduren kreeg nadat bekend werd dat Van Randwijck voor een bedrag van 2,5 miljoen gulden was afgekocht, trad zij vorig najaar bijna af. Haar geloofwaardigheid nam niet toe toen zij in november bleef ontkennen dat zij in haar vorige functie van procureur-generaal in Den Haag weet had van het doorlaten van harddrugs terwijl de Haagse hoofdofficier Blok volhoudt dat hij het haar wel gemeld heeft. Het voortdurend uitlekken van vertrouwelijke informatie over deze zaken heeft bovendien twijfel gezaaid over de vraag of de minister wel over voldoende gezag beschikt om de komende tijd in eigen huis orde op zaken te stellen.

Over de controverse Sorgdrager / Blok doet de enquêtecommissie in haar eindrapport geen uitspraak. De commissie stelt eenvoudig vast dat beide functionarissen zich kennelijk iets anders herinneren. Daarbij kiest de commissie overigens impliciet wel partij voor Sorgdrager door uit te spreken dat het “onverantwoord” was van Blok dat hij het doorlaten van harddrugs aan de minister zelf had moeten melden. Het lijkt onwaarschijnlijk dat de Tweede Kamer het daarbij zal laten in het debat.

Sorgdrager zal zich verder moeten verantwoorden voor het feit dat zij op de dag van haar aantreden de verantwoordelijkheid nam voor de afkoop van een informant van het IRT voor een bedrag van twee miljoen gulden. De commissie noemt dit “exorbitant hoog”. Een reprise van het debat over Van Randwijck lijkt daarmee in het verschiet te liggen.

Vragen zal de Kamer ook hebben over het feit dat Sorgdrager in twee zaken niet op de hoogte bleek. Het betreft de Beverzaak in Rotterdam en een zaak waarbij het OM door middel van een vormfout tractte en informant vrijuit te laten gaan. Weer velt de commissie geen oordeel, maar stelt wel dat de minister genformeerd behoort te zijn.

Wellicht nog hardnekkiger belooft de vraag te worden omtrent de gehanteerde Delta-methode, waarbij drugs worden doorgelaten om te infiltreren in misdaadorganisaties. De commissie-Van Traa keurt deze methode af. Alleen enkele 'proefzendingen' van kleine hoeveelheden softdrugs kunnen wat Van Traa betreft nog door de beugel. “Daarbij gaat het om kilo's en niet om tonnen,” schrijft de commissie. Sorgdrager was tot nu toe echter van mening dat de Delta-methode, onder strikte voorwaarden, toelaatbaar is. Voor de enquête-commissie betoogde zij zelfs dat harddrugs moeten kunnen worden doorgelaten, zonder dat er duidelijke grenzen worden gesteld aan de hoeveelheden. Het oordeel van de commissie over deze methode is echter omineus: “Het bewust op de markt laten komen van grote hoeveelheden verdovende middelen en andere verboden goederen is onverantwoord.” Impliciet geeft de commissie hier dus wel een oordeel over Sorgdrager.

Overigens heeft het commissielid Koekkoek (CDA) op dit punt een afwijkende mening. Koekkoek vindt, in tegenstelling tot zijn collega's, dat proefzendingen harddrugs wel aanvaardbaar zijn. Dit betekent dat het voor CDA-woordvoerder Hillen tijdens het debat moeilijk wordt de minister op dit punt te attacqueren. Of het moest zijn dat Sorgdrager sinds november van gedachten veranderd is en het met de commissie eens is dat het doorlaten van harddrugs “onverantwoord” is.