Isolement Soedan opnieuw vergroot

NAIROBI, 1 FEBR. De duimschroeven zijn het moslim-fundamentalistische regime van Soedan weer wat verder aangedraaid. Het besluit van de Veiligheidsraad, vannacht, om Khartoum op te dragen drie verdachten van de moordaanslag op de Egyptische president, Mubarak, in Ethiopië over te dragen aan de autoriteiten in Addis Abeba vergroot het internationale isolement waarin Soedan verkeert. De resolutie is waarschijnlijk de aanzet tot internationale sancties tegen het land. Een combinatie van binnenlandse (gewapende) oppositie en buitenlandse agressie zou uiteindelijk het regime in Khartoum ten val moeten brengen. De gecoördineerde strategie tegen Soedan krijgt steeds duidelijker vorm. Aangemoedigd door de Verenigde Staten hebben enkele staten in de regio een alliantie tegen Soedan gevormd.

Ruim een jaar geleden kwam in aanwezigheid van de toenmalige ambassadeur in Khartoum, Donald Petterson, de verdeelde Soedanese oppositie bijeen in de Eritrese hoofdstad, Asmara. De oppositiebewegingen sloten een verbond. Gewapende groepen uit het gearabiseerde noorden en het zwarte Afrikaanse zuiden zetten hun meningsverschillen tijdelijk opzij en gingen hun militaire activiteiten coördineren. Egypte, Eritrea, Oeganda en, in toenemende mate, ook Ethiopië zegden hun hulp toe.

In het zuiden begon het Soedanese Volksbevrijdingsleger (SPLA) van John Garang vorig jaar met een opmerkelijk succesvol offensief tegen het Soedanese regeringsleger. Volgens ooggetuigen worden wapens voor de rebellen over Oegandees grondgebied aangevoerd. De Soedanese beschuldigingen dat Oegandese en Tanzaniaanse regeringssoldaten aan SPLA-zijde meevechten, zijn vermoedelijk overdreven. Wel bestaan er aanwijzingen dat Oeganda en Eritrea helpen bij de training van SPLA-strijders. Oegandese helikopters waren onlangs betrokken bij het vervoer van gewonde SPLA-soldaten vanuit Zuid-Soedan naar ziekenhuizen in Noord-Oeganda.

Honderden kilometers van deze frontlinie vandaan hadden in het noordwesten van Soedan de laatste maanden gewapende acties plaats vanuit Eritrea. Deze werden uitgevoerd door de Soedanese Geallieerde Strijdkrachten, geleid door Abdel Aziz Khaled Osman. De Eritrese president, Issayas Aferworki, heeft de moslim-fundamentalisten in Khartoum openlijk tot aartsvijand verklaard. De Ethiopische leider, Meles Zenawi, stelt zich iets minder uitgesproken op dan zijn Eritrese collega maar laat wel voor het eerst sinds 1991 weer heimelijk SPLA-strijders op zijn grondgebied toe.

Het SPLA beschikt over veel nieuwe wapens. De bron van het SPLA-wapenarsenaal is sinds de oorlog in het zuiden in 1983 opnieuw begon altijd duister gebleven. Behalve enkele zwarte Afrikaanse landen heeft ook Israel waarschijnlijk wapens geleverd, waarvoor de Amerikanen toestemming zouden hebben gegeven.

Vrijwel alle buurlanden hebben wel een reden om Soedan te bestrijden. In Noord-Oeganda opereert bijvoorbeeld met Soedanese steun de christelijk-fundamentalistische Lord's Resistance Army. In het Eritrese gebied rond Agordat en Tessenai zijn moslim-fundamentalistische strijders actief die hun opleiding kregen in kampen in Soedan. Zo algemeen is de vrees in zwart Afrika voor het expansionisme van Soedan, dat de Organisatie van Afrikaanse Eenheid (OAE) in december het regime in Khartoum veroordeelde en Soedan opriep zijn steun aan het terrorisme te staken.

    • Koert Lindijer