In Liefde Bloeijende

So ick al den loop mijns levens schicken mocht na mijnen wensch

(Al hoe wel dat noyt gegeven is geweest aen eenich mensch,)

Denct niet, vriend, dat ick sou soecken 't al-bemoeyend hofs gewoel

Rechters of regeringhs ampten souden niet sijn mijnen doel:

Gout en silver na te jaghen met bekommerlijck verdriet

Huysen bouwen, landen dijcken, waer oock mijn vermaecken niet:

Noch verschoven, noch verheven, sonder schulden en gebreck

Soude wesen mijns begeerens oogen-merck en verste reck.

Slapen onbeswaerde nachten, met een on-belade maech

Vroeg de goude son sien rijsen aenden hemel alle daech:

En dan inde lommer-paden van een hofje kleyn en reyn

Horen singen, fluyten, tieren, het gevogelt groot en kleyn

Sien het veel-coleurigh ciersel van wat bloemen ongecocht

Appels, peren, kersen inten, van ons land en ver gesocht.

Goede boecken ondertusschen lesen van verscheyden spraeck

Oude, nieuwe, tot der seden beteringh en soet vermaeck.

Met wat vrienden wel gecoren leven als in broederschap

Rust met alle menschen houden sonder twist en achterclap.

Soo te leven, waer mijn leven: en soo wie my nijdigh haet

Haet mede sulck een leven, trachtende naer hoogen staet:

Soo mach yder een becomen daer hy meest toe is gesint

Ick, met ruste, soet genoegen; hy, met moeite, roock en wint.

Simon van Beaumont (1574-1654)

Als ik mijn leven mocht inrichten zoals ik het wilde...Ja, ja. Als ik de baas van de tent was. Nooit willen de brave dichters dan naar de hoeren, nooit willen ze het op een potverteren zetten of de boel aan diggelen slaan. Simon van Beaumont in elk geval niet. Als hij heel zijn leven mocht inrichten naar zijn wens zou hij opteren voor een goed boek en een goed gesprek. Ja, ja.

't Liefst zou hij luisteren naar het getierelier van de vogeltjes, de brave dichter, en elke ochtend trouw koekeloeren naar de zonsopgang. Met een on-belade maech, vanzelf. Nuchter. Wie gelooft zo'n dichter?

Geld maakt niet gelukkig. Gezondheid is de grootste schat. Dát soort indruk maaakt deze dichterlijke spreukenverzameling op ons. Het is allemaal te keurig en te hooggegrepen en vooral te clichématig wat de heer Beaumont wil. Hij wenst zich niet alleen een goed boek toe, het moet ook verheffen. Tot der seden beteringh en soet vermaeck. Eerst het nut, dan de gezelligheid. De dichter als ouwe socialist.

Ik weet niet of Simon van Beaumont wel zo braaf was als hij hier klinkt. Hij is tachtig geworden, in de zeventiende eeuw al, en zelfs nu nog houden deugdzame mensen het zelden zo lang vol. Het gedicht heeft ook niets autobiografisch, het is inderdaad de uitwerking van een cliché. Het is geschreven in de tijd dat thema's als de pastorale, de gouden tijd en de vanitas ('roock en wint') populair waren. Het trekt alle voorgeschreven registers open van Horatius' beatus ille-motief. De vrijheid tegenover de slavernij. De rust tegenover de onrust. De enkeling tegenover het web van de sociale intriges. De landman tegenover de hoveling. De eenvoud tegenover de complicatie. De kleinschaligheid tegenover de grote organismen.

Het interesseerde de poëzielezer van de zeventiende eeuw geen barst of Simon van Beaumont met zijn hoofd wel degelijk bij het goede boek en het goede gesprek was. Het interesseerde hem of de dichter dit geliefde thema wel geraffineerd genoeg uitwerkte.

In dit licht bezien is de voorwaardelijke openingszin

So ick al den loop mijns levens schicken mocht na mijnen wensch niet een verlangen naar almacht, maar een signaal van de dichter - meteen aan het begin - dat het in de rest van het gedicht om een onmogelijkheid zal gaan. Om een droom.

Want niet één mens is die almacht ooit gegeven geweest, voegt de tweede zin er voor de duidelijkheid nog aan toe.

De droom duurt zolang het gedicht duurt. Wie een hekel heeft aan de dichter, zo maakt het ingenieuze slot ons duidelijk, heeft een hekel aan 's dichters droom. Niet een hekel aan zijn leven in biografische zin, maar wel aan een leven, trachtende naer hoogen staet.

Dat is de moraal van het gedicht, een tijdeloze moraal die ontstijgt aan de clichés van de dag - het gaat niet om het hebben, het gaat om het dromen. Ons enige geluk ligt in het najagen van het eeuwig onbereikbare geluk.

Of men daar nu soet genoegen mee oogst of roock en wint, het blijft met een netje wind vangen.

De pastorale is bij Beaumont de tegenhanger en tweelingbroer van de vanitas. Idylle en ijdelheid, ze zijn gebouwd uit dezelfde letters.

    • Gerrit Komrij